maandag 22 augustus 2016

Maurice Pons – De seizoenen

Dit jaar op 8 juni overleed de Franse schrijvers Maurice Pons. Hij werd geboren in Straatsburg in 1927, maar woonde meer dan vijftig jaar op een afgelegen plek in Normandië, Moulin d’Andé. Vanuit het 100 kilometer verder gelegen Parijs bezochten zijn vrienden hem, zoals Jean Moreau, François Truffaut, die de film Jules et Jim hier voor een deel opnam en collega-schrijver Georges Perec, die er maanden bivakkeerde en er het idee uitwerkte voor het e-loze boek ‘La Disparition’.


Les Saisons, uit 1965 - vertaald als ‘De seizoenen’ door Mirjam de Veth - is het meest bekende boek van Pons. Deze vertaling is prachtig uitgegeven door de kleine uitgeverij Coppens & Frenks.

‘De seizoenen’ is een vreemd en wreed verhaal over een man die zijn heil zoekt in een afgelegen bergdorp en min of meer opgenomen wordt in de gemeenschap van  mismaakte en gestoorde dorpelingen.

Het regent gestaag wanneer Siméon het boerendorp betreedt. Als verwelkoming krijgt hij een schapenschedel naar zich toe geslingerd. Hij verminkt zijn teen wanneer hij probeert het ding weg te schoppen. De teen wordt niet meer beter en leidt tot een reeks pijnen. Later slaat verrotting toe op andere lichaamsdelen.

Bij het binnengaan van caféruimte komt Siméon een weerzinwekkende lucht tegemoet. Op de grond ligt braaksel en hij hoort het gonzen van een zwerm vette vliegen, die bewegen rond de smerige etenskommen op de grond. Er zijn twee klanten, douanebeambten, die een spel spelen met de dikke, zo te zien aan elefantiasis lijdende, barvrouw.

Hij betrapt hen bij dit pierentrekken: “wijdbeens gezeten op de knieën van een van de twee  douanebeambten – de douanier tweede klasse zodra weldra zou blijken – die haar tegen zich aan hield door met beide gespreide handen haar billen te omvatten, kneep ze zijn neusvleugels tussen twee vingers, en de vuile talg waarmee ze vol zaten spoot als zwartkoppige wormpjes uit de poriën tevoorschijn. Bij iedere mee-eter die naar buiten kwam schaterden ze het uit, waarbij ze de douanechef, die voor scheidrechter speelde en nauwlettend de punten telde, in hun vrolijkheid meesleepten.”

De sfeer van het boek is hiermee getekend. Alles in het dorp is smerig en verrot. De mensen zijn lomp en agressief. De meesten zijn mismaakt; zij missen benen, armen of een oog. Zij eten uitsluitend linzen en drinken daarbij linzenbrandenwijn.

De barvrouw heet madame Ham. Zij reageert boosaardig op de entree van Siméon. Maar hij mag uiteindelijk zijn intrek nemen en logeert boven het café op een koude open zolder. Hier wil hij aan zijn boek werken. De eerste weken blijft hij op zolder zitten en komt alleen naar beneden voor zijn linzendrab.

Wanneer zijn teen helemaal opgezwollen en ontstoken is gaat Siméon op zoek naar de dokter in het dorp. Hij wil tijdens zijn  wandeling in geen geval als toerist, laat staan als zwerver opgevat worden. Bij het nemen van een omweg ziet hij de naakte Clara een bad nemen. Hij is op slag verliefd, maar moet in de stromende regen wachten tot zonsondergang alvorens hij langs haar raam kan sluipen.

Hij ontmoet Louana, een zevenjarig meisje zittende tussen de uitwerpselen om het christusmonument. Zij is een sluw loeder, maar wijst hem wel de weg naar Croll, de man die hem kan helpen met zijn teen, die inmiddels de vorm en omvang van een uitdagende courgette heeft aangenomen. De stank in de grot van Croll is ondraaglijk. De dokter zuigt de pus uit zijn teen. Dat geeft tijdelijk verlichting.

De gebeurtenissen in het kleine dorp gaan altijd gepaard met ranzigheden en wrede handelingen. Siméon takelt verder af. Zijn voet verrot. Hij gaat terug naar Croll, Het rottende vlees wordt gretig door de ezel van Croll opgegeten. De wond likt hij schoon.

Het lange regenseizoen gaat over in het maandenlange ijskoude seizoen. De lente is hier onbekend. De bewoners binden levende dieren vast op hun lijven om het warm te krijgen. Er vriezen mensen dood, maar niemand kan het ene moer schelen.

Tijdens een vergadering krijgt Siméon toestemming een kind te verwekken bij Clara. In een hysterische scene kijkt het halve dorp toe hoe Clara door de twee douaniers wordt opgetild en op de verzwakte Siméon wordt geplaatst. De kikker die Clara heeft ingebracht voelt week aan. De dorpelingen lachen zich een bult, vooral als de twee vast komen te zitten aan elkaar. Ruw vindt de scheiding plaats. Van zijn geslacht rest slechts een bloedende massa.

Zo vinden er meer gruwelijke gebeurtenissen plaats. Siméon wil vertrekken voordat hij nog meer lichaamsdelen kwijtraakt. Hij roept uit: “de ellende zegeviert altijd.”

Dan rijden er plotseling twee ruiters het dorpje binnen. Zij vertellen over een andere wereld waar voldoende te eten is. Zij laten rijst zien. Voor Siméon staat het nu vast dat hij weg wil. De ellende is hier bijna groter dan de plek waar hij ooit vandaan kwam, waar zijn zus werd vermoord en waar hij lange tijd in een kooi onder de brandende zon opgesloten heeft gezeten.

Wanneer de kou afneemt en de dooi inzet komt de stank vrij. Dorpelingen slepen de lijken van mensen en dieren naar buiten. Madame Ham is ook dood. Niemand treurt om haar. Siméon komt niet zomaar weg. Het hele dorp wil mee. Maar de tocht uit het dal gaat niet opleveren wat men ervan verwacht.

‘De seizoenen’ is een merkwaardig boek. Het heeft iets Kafkaësk. Het verhaal speelt zich af op een onaardse plek. De seizoenen duren er jaren. Pons noemt nergens een plaats of een land. Heel af en toe verwijst hij naar iets buiten het dorp, zoals wanneer hij mijmert over de eetgewoonten van de dorpelingen: uitsluitend linzen: “nooit had hij in enige schotel het kleinste piezeltje spek of zwoerd ontdekt, zelfs geen vel van die ezelsworst waarop de Polen zo dol heten te zijn.” Misschien is dit een grapje voor zijn vriend Perec, die van Poolse komaf is. De familie van Pons was overigens afkomstig uit een ijzig dorpje in de Alpen. Wie weet heeft hij hierdoor inspiratie opgedaan.


In het nawoord wijst Mirjam de Veth erop dat ‘De seizoenen’ een roman is over schrijverschap. Siméon komt in het dorp om te schrijven. Hij is er om “het brood van de woorden en de wijn van de zinnen te delen.” Hij moet gruwelen omsmeden tot schoonheid om de wereld te kunnen zuiveren. Ditzelfde doet Maurice Pons. Hij is hier uitstekend in geslaagd. ‘De seizoenen’ is een rauw en barbaars boek, maar ook verschrikkelijk mooi. Het is niet voor niets een van de favoriete boeken van Dimitri Verhulst.

1 opmerking:

  1. Wordt vast spoedig verfilmd, hopelijk door een Belgische cineast(e).

    BeantwoordenVerwijderen