donderdag 4 augustus 2016

L.H. Wiener – In zee gaat niets verloren

'In zee gaat niets verloren’ is de meeste recente roman (2015) van L.H. Wiener. Het boek wijkt enigszins af van zijn eerdere werk. Niet dat hij milder of minder stijlvast is geworden. Hij schakelt ook in dit boek tussen de verschillende alter-ego’s en weet diverse verhaallijnen knap in elkaar te vlechten. Maar hier gaat hij voor het eerst uitvoerig in op zijn Joodse achtergrond en verdiept hij zich in zijn persoonlijke familiegeschiedenis. Alles fictief natuurlijk, maar daarom niet minder waar.


Naast de avonturen op zijn schip de Argos, de drank en de verhalen over de poes Lolita is deze familiegeschiedenis het grote thema van dit boek. “Gaande mijn leven ben ik tot de ontluisterende conclusie gekomen dat ik in geen enkele traditie sta, nergens bij hoor, niet bij mijn Joodse vader, maar evenmin bij mij  niet-Joodse moeder, niet bij de digitale wereld van mijn kinderen, maar ook niet bij mijn grootouders, ooms en tantes die ik geen van allen ooit ontmoet heb.”

Wiener is zelf verbaasd dat hij nu pas zijn vaders familie leert kennen. Hij doorzoekt archieven, vraagt oude testamenten en andere stukken op en reconstrueert zijn stamboom. Zijn opa die samen met zijn broer zelfmoord pleegde aan het begin van de oorlog had nog meer broers en zussen. Zijn vader had het hem er nooit over verteld.

Twee van de broers kwamen om in Auschwitz, een zuster stierf jong aan kinkhoest, maar één zuster Klara leefde tot 1967. Hij wist het niet. Als kind heeft hij wel eenmaal een andere oudtante ontmoet, Loes. Vooral de kilheid van de ontvangst is hem bijgebleven.

Met de verzamelde gegevens en zijn fantasie beschrijft hij een ontmoeting met tante Loes. De schrijver stapt haar leven binnen: Parijs 1900. Zij is jong en de schrijver verleidt haar op de Eifeltoren met zijn kennis van haar persoon en haar toekomst. “Zestien is misschien wat jong voor een meisje om zich dezelfde nacht nog, in hetzelfde hotel als haar ouders, ook fysiek te laten overrompelen…”

Hij duikt steeds meer onder in oude paperassen en vergeelde foto’s waar een zekere bedwelming vanuit gaat. Hij neigt ernaar erin te verdwijnen. Maar Wiener bezoekt ook de Joodse begraafplaats te Muiderberg.“Op weg naar het graf van Sara van der Pen, mijn overgrootmoeder, de weduwe van Levie Wiener, onder een blakende zon, waartegen mijn hoofddeksel hopelijk enige bescherming biedt, overvalt mij een schier onbedwingbare drang tot fecaleren.”

Hij had er eerder last van op de Liberaal Joodse begraafplaats te Hoofddorp en vraagt zich af waarom dit mechanisme zich nu voor de tweede keer openbaart. Er is maar één uitweg, het graf van zijn overgrootmoeder. “Ik zal het onvermijdelijke vuil uit mijn lichaam bij haar mogen brengen, zij zal erom glimlachen en het begrijpen.”

De worsteling met zijn verleden doet hem vaak twijfelen aan zijn identiteit. “Veel liever dan een halve Jood zou ik een hele indiaan zijn geweest, in the land of the free and the brave. De voorliefde voor vuurwater heb ik al.”


Tot slot van dit mooie en soms bizarre boek is er de literatuur, zijn redding. “Literatuur verwijst naar niets anders dan naar zichzelf, zoals ook iedere schrijver de schepper is van zijn eigen universum: een heelal waarin hij als ster een eenzame baan om de aarde beschrijft en deze op zich zo paradijselijke planeet waarneemt als de sinistere afwerkplaats voor wellust, kwellust en moordlust die de mens ervan heeft gemaakt.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen