zondag 14 augustus 2016

Alex Boogers - Wanneer de mieren schreeuwen

Voordat je ‘Wanneer de mieren schreeuwen’ openslaat weet je al dat het slecht afloopt. Sedar Socrates Soares werd op 1 februari 2003 nabij metrostation Slinge doodgeschoten. Dit boek gaat over hem.


De verteller is op weg naar de Erasmus universiteit om te spreken voor een groep studenten. Hij doet dat vaker. Als oud-bokser vertelt hij over de mogelijkheden die je hebt als je buiten de vaste kaders denkt. Over hoe je jezelf kunt transformeren. In de taxi kijkt hij zijn aantekeningen na. Hij raakt in gesprek met taxichauffeur Gabriel, die hem zijn verhaal doet, of eigenlijk het verhaal van Sedar Soares.

Hij vertelt omzichtig, aftastend. Gabriel heeft er lange tijd niet over gesproken. Hij en andere familieleden woonden in Pendrecht. Zij kwamen uit Kaapverdië, waar de vader van Socrates lang geleden naar was teruggekeerd. Socrates had een zus en een broertje. Zijn moeder was bezorgd om hem; zij had vaak zorgen, werkte veel en was weinig thuis. De naam Socrates verwijst naar de Braziliaanse voetballer. Maar zijn moeder gaf hem de bijnaam Shala.

Boogers bouwt het verhaal op aan de hand van de achtergronden van de familie - hoe zij van Kaapverdië naar Rotterdam kwamen - en werkt langzaam toe naar de noodlottige dag. Gabriel vertelt het verhaal, hij zag zijn neef vaak, besefte dat hij het ver kon schoppen met voetballen. Hij was een actieve jongen, speelde altijd op straat. “Mijn vader zei dat onze familie teveel bewegers heeft. We moeten meer denkers hebben. Wie beweegt botst altijd tegen iets aan.“

Socrates had voetbaltalent. Feijenoord toonde interesse in hem. Je moet er wel in geloven. “Een mens is meer dan de buurt waarin hij woont en opgroeit.” Veel grote voetballers kwamen uit arme wijken. “Waarom zou er niets goeds van Zuid kunnen komen?”

Het verhaal gaat vloeiend over in dialoog. Meer naar het eind toe, komen de gebeurtenissen zo voor de lezer nog dichterbij. De dag van 1 februari sneeuwde het. Het was koud, de bussen reden minder vaak. Je kon niet eens voetballen met deze sneeuw. Shala hing met vrienden rond in de buurt van metrostation Slinge. Zijn moeder verwachtte hem voor het eten. Zijn zusje was al thuisgekomen, koud, ingezeept door Shala.

Hij miste een bus en besloot niet naar huis te lopen maar te wachten op een volgende. De sneeuwgevechten verplaatsen zich naar het parkeerdek. De jongens renden achter elkaar aan, lachten, gooiden sneeuwballen: naar elkaar en naar voorbijgangers. “Die vent in zijn auto schrok zich rot.” Socrates kreeg daarop meteen een bal in zijn nek van Jamal. Vervolgens naderde een rode Honda. Socrates gooide een bal, de auto stopte.

Toen er drie knallen weerklonken, renden de jongens hard weg. Jamal merkte dat Socrates er niet bij was. Ze gingen terug. “Hij lag daar alsof hij in het water dreef. Zijn benen en armen gespreid. Jamal liep naar hem toe en riep zijn naam. Toen hij niet bewoog kroop hij dichterbij en ging bij hem zitten. Het warme bloed had de sneeuw laten smelten.”


Boogers beschrijft vervolgens hoe Gabriel de sirenes hoorde en naar het metrostation liep. Hij zag Jamal en ander jongens. Een agent zei ‘Socrates’. Boogers gaat hierna gelukkig niet in op de dader, het motief en de nasleep van dit drama. Hij besluit het boek met de lezing van de verteller. Hij stak niet het het standaardpraatje af maar vertelde het zojuist gehoorde verhaal van Gabriel. De  studenten zwegen. Langzaam kwam het applaus op gang.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten