zondag 14 februari 2016

J.M. Coetzee – Zomertijd

‘Zomertijd’ - vertaald door Peter Bergsma - is een roman, maar de vorm is afwijkend van een gewone roman. Het zijn brokstukken van een biografie over de schrijver John Coetzee, inmiddels overleden. Je kunt het ook lezen als een poging van Coetzee tot het schrijven van een autobiografie.


Het boek is grotendeels opgebouwd uit een aantal interviews met mensen die Coetzee hebben gekend in de jaren zeventig. Hij is teruggekeerd naar Zuid-Afrika en is een beginnend schrijver. De internationale bekendheid komt later.

Feit en fictie lopen door elkaar heen. De mensen die door een jonge Engelse onderzoeker worden geïnterviewd - o.a. een minnares, een nicht en een collega – bestaan niet echt in deze vorm. In ieder geval zijn zij niet door Coetzee of wie dan ook geïnterviewd voor dit boek. Coetzee kijkt door de ogen van hen naar zichzelf. Het is geen vrolijk zelfportret.

Coetzee wordt een ‘kille en hautaine intellectueel’ genoemden. Hij wordt neergezet als een man zonder gevoel, een zonderling, aseksueel en koud. Hij is mager en draagt een baard. In het eerste hoofdstuk ‘Notities 1972-75’ beschrijft Coetzee een ontmoeting met een klasgenoot die hij toevallig terugziet. Deze David begreep op school niets van Latijn en algebra. Hij zou beter af zijn zonder school. Nu is hij een gewaardeerd marketingman.

Hij is er gefrustreerd over. Kennis leidt niet tot maatschappelijk succes. “Maar het zegt misschien wel veel meer: dat dingen begrijpen zonde van de tijd is; dat als je wilt slagen in het leven en een gelukkig gezin en een fijn huis en een BMW wilt hebben, je niet moet proberen om dingen te begrijpen, maar alleen de cijfers moet optellen of op knoppen moet drukken of datgene doen waar marketeers verder ook zo rijkelijk voor beloond mogen worden.”

In het interview met Julia, zijn maîtresse, komt zijn seksualiteit ter sprake. John kon overschakelen in de seksuele modus wanneer hij zijn kleren uittrok. Hij vervulde deze rol adequaat, maar onpersoonlijk. “Zijn liefdesspel had iets autistisch.” Hij behandelde anderen als robots om zelf ook als robot behandelt te worden. Hij bespeelde een vrouw als een instrument, in plaats van haar lief te hebben.

De gesprekken met hem waren beter. Julia genoot ervan, hoezeer hun werelden ook botsten. John leidde een leven volgens principes. Zij was een pragmaticus en versloeg hem in discussies. “Het universum beweegt, de grond verandert onder onze voeten; principes lopen altijd een pas achter. Principes zijn voer voor komedies.”

John liet zich niet van een idee afbrengen. Hij woonde samen met zijn vader in een gammel huisje. Ter versteviging moest er cement gestort worden rond het huis. Hij had een honderdvoudige rekenfout gemaakt. Zes keer rijden was lang niet voldoende om alle grondstoffen in te slaan. Altijd stond deze blanke man in de tuin kafferwerk te verrichten.

In het interview met zijn nicht Margot worden de familierelaties belicht en komt de apartheid ter sprake. Status hooghouden en het voorkomen van een schandaal zijn primair. Voortdurend suggereert zij seksuele toenadering van hem. Na een nacht met autopech leert zij John beter kennen, voor zover mogelijk. Hij blijft voor haar een zonderling, een buitenbeentje binnen de familie. Beter had hij weg kunnen blijven uit Zuid-Afrika.

John biedt zijn excuses aan. “Het is mijn schuld. Ik probeer dingen zelf te doen terwijl ik ze eigenlijk aan competente handen zou moeten overlaten. Dat komt door het land waarin wij wonen” Zij begrijpt het niet. “Vanwege onze lange geschiedenis van andere mensen het werk laten doen terwijl wij zelf in de schaduw zitten toe te kijken.”

Margot had gehoopt dat John anders zou zijn dan de andere Coetzee-mannen. Dat hij geen slapgat zou zijn. “Een slap gat: een rectum, een anus waarover men niet de volledige controle heeft.” Sloom en zonder ruggengraat. Dit geldt niet alleen voor deze mannen, maar impliciet voor alle blanke Zuid-afrikanen. Zij kiezen altijd de makkelijkste weg. Zij vraagt zich af hoe je het slap bloed uit deze mannen krijgt.

Deze passage is frappant. Coetzee kiest juist voor een hele andere weg, is uiterst principieel. Hier laat hij ‘zijn nicht’ een beeld van hem schetsen, dat tegengesteld is aan hoe hij zich later als schrijver zal ontwikkelen.

In de volgende interviews doet hij dit nog sterker. Het beeld is bijzonder negatief, maar ook kortzichtig. Hij lijkt daarmee te willen zeggen: jullie zagen mij als een mislukkeling, een zonderling, maar kijk wat ik nu ben geworden. Ik ben geen slapgat meer. Jullie zagen het verkeerd en dit is mijn wraak.

Daarmee samenhangend is de nadruk die de geïnterviewden leggen op zijn lichamelijkheid: hoe hij bewoog, dat hij niet kon dansen, een slechte minnaar was, etc. Adriana, een vrouw waar hij verliefd op was - hij gaf les aan haar dochter - zegt: “Deze man was ontlichaamd. Hij was gescheiden van zijn lichaam. Voor hem was zijn lichaam zo’n houten poppetje dat je met touwtjes laat bewegen.”

Deze lichamelijke werkelijkheid was uiteindelijk voor de schrijver Coetzee niet van belang. Geestelijk zou hij uitgroeien tot de geprezen Nobelprijswinnaar. In de  biografie wordt bijna niets gezegd over zijn kwaliteiten als schrijver. Deze periode in zijn leven was niet meer dan een huid die hij daarna van zich af kon werpen, een houten poppetje. Dat maakt dat hij in dit boek zo met zijn eigen leven kan spelen.

Het spel gaat verder. In de interviews gaat het soms expliciet over het schrijven van deze biografie. De biograaf zegt een verhaal te vertellen over een fase in zijn leven, en baseert zich daarbij op vijf interviews. Dat is weinig, merkt iemand op. Maar andere bronnen, zoals zijn eigen aantekeningen zijn onbetrouwbaar. Bovendien, de meeste mensen die hem goed hebben gekend zijn inmiddels dood.

‘Zomertijd’ is een mooi en merkwaardig boek. Voortdurend word je op het verkeerde been gezet. De opzet van het boek is complex, maar door zijn goede schrijfstijl blijf je doorlezen. Wel vraag je je na afloop af wat je nu eigenlijk hebt gelezen: een reeks verdichtsels?


Sophie was een collega van Coetzee. Zij twijfelt aan de waarde van een biografie op basis van vijf interviews.“Maar stel dat wij allemaal verdichters zijn, zoals u Coetzee noemt? Stel dat we allemaal voortdurend verhalen over ons leven verzinnen? Waarom zou wat ik u over Coetzee vertel geloofwaardiger zijn dan wat hij u zelf vertelt?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten