zondag 10 februari 2019

F. Bordewijk – Verbrande erven

De novelle ‘Verbrande Erven’ verscheen clandestien in 1944. De oplage was beperkt tot 525 exemplaren en het boekje verscheen met de fictieve auteursnaam Emile Mandeau op het omslag. Na de oorlog is het verhaal uitgebracht in de verhalenbundel ‘Bij gaslicht’. Later verscheen het in het verzameld werk van Bordewijk.


Deze uitgave van het Bordewijk Genootschap is uit 2016. Het verhaal speelt zich af in Schiedam. Bordewijk had hier meer dan veertig jaar zijn advocatenkantoor. Hij voelde zich sterk verbonden met de stad. Het verhaal is eenvoudig. Neeltje Zwart, een jong meisje, komt rond kerst een tijdje logeren bij haar familie in Schiedam. Het nichtje is afkomstig van het platteland. Zij is een harde werkster, maar is ook brutaal en nieuwsgierig.

De familie bestaat uit een tobberige moeder, een reeks kinderen en een zwijgzame vader die ’s morgens in alle vroegte opstaat om te gaan werken in de stokerij. Neel neemt al gauw de leiding over een aantal van haar nichtjes en trekt er met hen op uit. Dit verhaal is een kapstok voor Bordewijk om zijn beschrijvingen van de stad Schiedam aan op te hangen. Schiedam wordt als een spookachtig, geheimzinnige stad neergezet. Het heeft nauwe stegen, boven de grachten hangt nevel en rond de stokerijen heerst bedrijvigheid.

“Ze ging den kant die haar het meest trok, waar de Erven zich vernauwden, waarheen ze den avond te voren in de deur reeds verlangend had geblikt. En het was zeker een verrassing, want onvoorziens stonden ze op een o zoo klein vierkant gribuspleintje, en allerlei steegjes glipten weg.”

De vader zegt niet veel. Dat ligt in de aard van de bevolking. Op zondag komt een vriend uit Vlaardingen aangelopen. Zijn orthodoxie verbiedt hem om op zondag te reizen met een voertuig. “Het dooit, was het eerste wat Baaij zei. Verder zweeg hij voorloopig, kijkend naar zijn zwaar vetleeren schoeisel, ondoordringbaar voor sneeuwwater. Het zwijgen was algemeen, verschijningsvorm van de redelooze neerslachtigheid onder het volk der kuststreek, doch het was niet pijnlijk, niet onbehaaglijk zelfs, het was geheel natuur. Baaij rookte en Pa Baas rookte en geen van beiden had een oog voor Neeltje.”

Vader werkt in de stokerijen, maar hoedt zich voor overmatig drankgebruik. De jenever heeft veel van de inwoners van Schiedam in haar greep. De stad zelf heeft de kenmerken van een jeneverdrinker. Bordewijk weet het prachtig te beschrijven. Neel bekijkt de stad vanaf de grote kerk. Stadsomroeper en klokkenluider Nagtzaam heeft haar in de toren uitgenodigd.

“Maar o, wat een daakjes alom. Ze hielden nog sneeuw vast waar de zon niet komen kon, verder zagen ze grauw of rood, in het hart der stad veel rood. Voortgeloopen ontwaarde Neel de wijk van Drank-Schiedam, die lag daar in den vorm van een geweldige zwarte zieke nier, het ving haast aan bij den torenvoet. De sneeuw was er reeds weggedooid, ze hield er niet. Waar waren de Verbrande Erven? Ja, dat was niet zoo gauw te bepalen, daar ergens, wees de man.”


‘Verbrande Erven’ is een echt geheimzinnig Bordewijk-verhaal. Het boekje is mooi heruitgegeven. Er zijn waarschijnlijk nog enkele exemplaren te bemachtigen via het Literair Gezelschap Schiedam of via het Bordewijk Genootschap. Wanneer Neeltje vertrekt is de moeder opgelucht. “Eén ding, zei Mensch. Dat kind? Nóóit meer.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten