Christien Brinkgreve was voor haar pensioen hoogleraar sociale wetenschappen aan de universiteit van Utrecht en hiervoor, vanaf eind jaren tachtig hoogleraar vrouwenstudies aan de universiteit van Nijmegen. Zij was ook de vrouw van Arend Jan Heerma van Voss, ooit hoofdredacteur van de Haagse Post en hoofdredacteur van de VPRO-radio. Thomas en Daan, allebei schrijver, zijn hun twee zoons. De vader overleed in 2022. Thomas Heerma van Voss portretteerde hem, weliswaar in romanvorm, in Het Archief. In Beladen huis kijkt Brinkgreve terug op het leven van haar man en met name op hun huwelijk. Dat zij een gevoelig en actueel punt aanroert bewijst wel het enorme succes van dit boek.
Arend Jan (of A. zoals hij in het boek wordt genoemd) was een verzamelaar. Het huis waar zij dertig jaar woonden lag vol met boeken, tijdschriften, krantenknipsels en verzamelmappen. Enige tijd na zijn dood ontdekte de familie dat hij een opslag huurde waar de spullen uit zijn ouderlijk huis stonden. Het verzwijgen van deze verborgen opslag is kenmerkend voor hun relatie. Na een romantische periode in de beginjaren leefden de twee meer en meer in een eigen wereld. Brinkgreve beschrijft dit proces van uit elkaar drijven, waarbij A. vaak diegene was die de grote beslissingen nam, zoals de verkoop van haar eigen huis waar zij jarenlang met plezier woonde. Zij gaf uiteindelijk toe aan zijn wensen om naar de binnenstad te verhuizen en rationaliseert die beslissing voor zichzelf achteraf. Maar in feite voelde zij dat het een fout besluit was en ze schrijft nu dat zij A. op dat moment de deur had moeten wijzen. Wat vooral ook stoorde was dat hij zich niet in haar positie kon verplaatsen. Dit was een cruciaal moment in het huwelijk en het begin van een patroon dat bleef.
Met het krijgen kinderen en haar carrière in de wetenschap leidden beiden steeds meer een eigen leven. Zij voelde zij zich nooit helemaal thuis en week geregeld uit naar hun huisje in Egmond om te werken. Het was niet dat hij niet trots op haar was of haar haar eigen loopbaan niet gunde, maar hij verwachtte dat zij zich (nog) meer op zijn leven zou richten. Voor zijn dood, hij was al ziek, liet hij zich eenmaal hierover uit en zei dat hij had gehoopt dat zij zich na haar proefschrift helemaal aan hem zou wijden. Op de vraag waarom hij dit nooit heeft gezegde, antwoordde hij: ‘Ik ben toch niet gek: dan was je weggegaan.’
Beladen huis is in de eerste plaats een verhaal over rouw, het is geen aanklacht. Brinkgreve beschrijft mooie momenten uit hun samenzijn, maar het lijkt of zij na zijn dood pas voldoende ruimte voelde om zich ook eerlijk te uiten over die andere kanten van hun huwelijk. Het werd vooral een probleem na zijn pensioen; A. voelde zich overbodig, had weinig maatschappelijke functies meer en trok zich terug in zijn kamer met zijn verzamelingen. De twee correspondeerden veelal per mail. Zelfs in de weken voor zijn dood was een open gesprek niet meer mogelijk. Het huis was dichtgeslibd met rotzooi, zij durfden al tijden nauwelijks mensen thuis uit te nodigen. Na zijn dood ruimde zij beetje bij beetje het huis op, met hulp van hun kinderen en de kinderen uit A’s eerdere huwelijk.
Zij probeert in het boek een verklaring te vinden voor zijn positie binnen hun huwelijk en komt, wat betreft de behoefte aan zorg, uit bij de vroege dood van de zus van A. Als het gaat om zijn verzameldrift en de neiging om alles te behouden schiet dit misschien tekort. Hij was zeer gehecht aan het leven, zijn pensioen was een ramp voor hem en hij kon geen afscheid nemen van spullen. En wat je vaker bij hoarders ziet, is dat het ordenen en registreren niet meer te doen is en zij verzuipen in de spullen, het wordt juist een grotere chaos. ‘De ordeningen bleken niet in staat zijn leven te stutten. Ik ervaar zijn verslagenheid, in het zicht van de dood. Alles bewaard om behouden te blijven, om vast te houden, maar het heeft hem niet kunnen redden.’
Beladen huis gaat natuurlijk over A. maar nog meer over Brinkgreve zelf. Door het hele boek heen vraagt zij zich af hoe zij in dit leven verzeild is geraakt. Een tijdje waren zij gelukkig en hadden zij, zoals zij mooi omschrijft, een relatie-ideaal van autonomie in gebondenheid. Deze zelfreflectie zit in de eerste helft van het boek goed verweven met haar herinneringen en de verhalen van na zijn dood, maar in de tweede helft valt zij hier en daar in herhaling en wordt het verhaal wat stuurloos. Zij haalt belangrijke auteurs aan als Hilary Mantel en Deborah Levy en probeert de invloed van het patriarchaat in hun huwelijk te duiden, maar komt hier niet helemaal uit. Dat is vooral wrang, omdat zij als wetenschapper juist heel goed op de hoogte is van onderwerpen als man-vrouw verhoudingen, het feminisme en de macht van het patriarchaat. Het is zeer lastig om de theorie en de praktijk van een ongelukkig huwelijk met elkaar te rijmen, misschien is dat wel de kracht van het boek, dat dit niet sluitend te krijgen is.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten