zondag 18 september 2016

Ernest van der Kwast – Het wonder dat niet omvalt


De presentatie van het nieuwste boek van Ernest van der Kwast op vrijdag 16 september was een succes. Een grote menigte had zich verzameld in Museum Rotterdam om te luisteren naar verhalen van pianist Ako Taher, straatdokter Marcel Slockers, trouwambtenaar Hendrina Veldhuyzen, om te kijken naar paaldanseres Cyra Soleil en om nog veel meer te beleven. Alleen de vuurspuwer ontbrak, helaas. De mensen in het boek kregen een geschreven ode van Ernest van der Kwast. Zestig staan er in ‘Het wonder dat niet omvalt’.


De tentoongestelde foto’s bij het boek zijn gemaakt door fotograaf Aad Hoogendoorn. Zij zijn te zien in Museum Rotterdam. Hoogendoorn vertelde vooral in opdracht te willen werken. Het visualiseren van deze odes was een van zijn mooiste opdrachten. Om onbegrijpelijke redenen bestaat er (nog) geen fotoboek bij de mooie verhalen.

Alle mensen in het boek, de meeste van hen zijn Rotterdammers, hebben iets bijzonders, maar zijn tegelijkertijd gewoon. Zij hebben een passie of een bijzonder beroep dat zij al jaren uitoefenen. De Frituroloog staat met zijn kraam sinds 1979 op het Schouwburgplein. John Schipper begon als twaalfjarige als zakkiesteker bij Bram Ladage. Hij werkt “met dezelfde aardappels, dezelfde olie en dezelfde machines, maar mijn frietsaus is beter.’ Van der Kwast vermoedt “dat dit de conclusie is van een gedegen onderzoek van het Nederlands Instituut voor Friturologie.”

Sommige beroepen zijn zo goed als uitgestorven. Meneer Jonas, de aardappelboer, is de laatste van zijn generatie. Hij komt elke dag met een auto vol aardappelen naar Rotterdam gereden om zijn waar aan huis te bezorgen. In deze ode las ik iets wat ik mij al jaren afvroeg: waarom lopen aardappelen tegenwoordig zo snel uit? “Vroeger leverde meneer Jonas winteraardappelen, die in de kelder werden gestort en waar een kiemremmingsmiddel overheen ging.” Raadsel opgelost.

Oude beroepen kunnen terugkeren, zoals de stadsherder. Jaren geleden zag niemand iets in zijn plan om maaimachines te vervangen voor schapen. Nu zijn er zeven herders werkzaam en is hun werkterrein 250 hectare groot. “Groen is in, groen is overal.”

Het zou leuk zijn als een andere bezigheid, het verzamelen van postzegels, weer aan populariteit zou winnen. Vroeger bestond er een druk bezochte postzegelmarkt op het Doelenplein. Nu is Frank Neurenburg een van de weinig overgebleven handelaren. Hij is 62 en zit al dertig jaar in de handel. Zijn markt wordt telkens weer bedreigd. De paar kramen krijgen om de havenklap door de gemeente een andere plek toegewezen. Nu staan ze in de schaduw van de Binnenrotte. “De postzegelhandelaar is verworden tot een zwerver, een paria.”

Maar je weet het soms niet. De elpee is alweer jaren helemaal terug. De winkel van Hans Tweedehands achter het Centraal Station floreert erbij. De zaak staat tot aan het plafond vol met platen. Alleen Hans weet er de weg in te vinden. “Er zit wel degelijk een systeem in de winkel, maar ik ben de enige die dat systeem kent.”

Mooi is hoe Van der Kwast mensen zelf aan het woord laat over hun passie. De loempiaverkoper heeft loempia’s en kroepia’s in zijn kraam, geen nasi, bami of drankjes. “Je moet de mensen niet zoveel keus geven. Hoe minder keus, hoe makkelijker de verkoop.”

Batterijen Paultje kent alle apparaten van binnen en buiten. Zijn specialisme is het vervangen van batterijen. Horloges zijn een fluitje van een cent voor hem. Het is altijd druk bij zijn kraam, maar de mensen worden meteen geholpen; anders dan bij de dure juweliers, die hun klanten weken laten wachten op een horloge en bovendien schoonmaakkosten rekenen. Onzin: “In een horloge is het altijd schoon. Er zit namelijk een deksel op.” Prachtige uitspraak!

Goed is ook wijkagent Wilco Berenschot, die een tafeltje op straat zet en mensen hun verhaal laat doen. Hij had eens een dealer aan tafel. “Toen ik hem vroeg of hij ergens last van had, klaagde hij over de junks in zijn straat.”

Sandra Dullaart was toiletjuffrouw bij de V&D op het Zuidplein. Volgens haar zijn vrouwen viezer dan mannen. “Soms vraag ik me echt af hoe mensen het voor elkaar kunnen krijgen.”

Leuk is het te lezen hoe oude beroepen in een nieuw jasje in korte tijd succesvol worden. De kappers van Schorem zijn hiervan het beste voorbeeld. Bertus en Leen werkten ooit voor Kinki kappers. Er werkten haarstilisten. “Ze zien alleen zichzelf in de spiegel.”

Naast bijzondere personen bevat ‘Het wonder dat niet omvalt’ ook enkele odes aan kunstwerken. De Hef is een brug, maar is ook kunst. De ode is getiteld ‘Triomfboog’. Het ding van Naum Gabo voor de Bijenkorf verdient zeker een ode. Het is een schande dat de stad het kunstwerk laat vergaan. “Het beeld drukt meer wanhoop uit dan hoop.”


Er valt nog veel meer te citeren uit de bundel ‘Het wonder dat niet omvalt’. Elk verhaal is uniek. Het boek is een must voor iedere rechtgeaarde Rotterdammer. Het laat scherp de veelzijdigheid van de stad zien. Ik raad het ook beleidsmakers aan. De toon van de verhalen is niet speciaal nostalgisch, toch mogen bepaalde beroepen uit het verleden niet verloren gaan, vind ik. De gemeente kan hier iets in betekenen. Het wachten is nu nog op het fotoboek.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen