dinsdag 26 januari 2016

W.F. Hermans – Nooit meer slapen

“De portier is een invalide”. Zo luidt de beroemde openingszin van deze klassieker. De toon is gezet. Hoofdpersoon Alfred Issendorf, voor zijn promotieonderzoek op zoek naar meteorietinslagen in Noorwegen, staat meteen op achterstand. Als op pagina één de portier al niet functioneert, wat zegt dat over de rest van de onderneming?


Alfred heeft een afspraak in Oslo met Professor Nummedal, die hem luchtfoto’s zou leveren van het gebied waar Alfred onderzoek gaat doen. Helaas kan de oude man niks voor hem doen. Alfred start zijn onderzoek zonder foto’s.

Er is nog iets aan de hand met de openingszin. Wat er niet staat is dat de portier blind is. In de rest van de scene wordt dit niet expliciet genoemd. Pas later in het boek wordt er over de arme man gesproken en wordt er verwezen naar zijn bijzondere horloge en wordt gezegd dat hij blind is.

In de eerste scene heeft Alfred de blindheid van de portier niet opgemerkt. Hij ziet als verteller niet alles, maar de oplettende lezer had het kunnen weten. In de rest van de roman past Herman deze schrijverstruc regelmatig toe. Alfred is onhandig en sullig, trekt voorbarige conclusies en ziet soms dingen die er niet zijn. Hij is kortom een onbetrouwbare verteller. In het hele boek wordt vooruit gewezen naar mislukkingen die komen. In Oslo loopt hij al, op zoek naar zijn hotel, de verkeerde kant op. “Ik verdwaal altijd, overal.”

Het ontbreken van luchtfoto’s maken zijn onderneming hopeloos. Daarbij komt dat zijn hypothese - sommige gaten in de bodem zijn veroorzaakt door meteorietinslagen – buiten zijn leermeester Sibbelee door niemand wordt gedragen, zeker niet door Nummedal. De twee wetenschappers staan niet op goede voet met elkaar. Of overdrijft Alfred hier om zijn mislukkingen te verklaren?

Alfred reist naar het Noorden waar hij zijn vriend Arne ontmoet. Hij maakt zich zorgen hem mis te lopen - alweer een vooruitwijzing – en denkt hem te zien op een boot. Er zwaaien mensen naar hem, maar het blijkt toch voor iemand anders bedoeld te zijn. Of zwaait men toch naar hem?

Hij treft Arne op de plek waar zij hebben afgesproken. Hoewel zijn materiaal er versleten uit ziet is Arne beter voorbereid op de tocht dan Alfred. Zij reizen verder. “Om half elf  stappen Arne en ik voorgoed uit in Skoganvarre.” Daar ontmoeten zij Qvigstad en tot Alfreds verbazing een vierde jongen: Mikkelsen. De twee zijn uitstekend toegerust: mooie tent, stevige rugzak, waarin alles droog blijft.

Vanaf het begin van de reis is het duidelijk dat Alfred de minst ervarene is. Hij is bovendien erg onhandig. De drie delen de rugzakken in, zorgen voor het eten en lopen vlot over gladde stenen en door riviertjes.

Voor Alfred is het de hel. Hij raakt steeds achter, de muggen prikken hem lek, hij struikelt, verwondt zich en al zijn spullen worden nat. Hermans weet hier de tocht en de ellende van Alfred fantastisch uit te beelden. Het wordt niet steeds erger, maar de miserabelere omstandigheden en de vermoeidheid zijn constant. Door de muggen, de kou en het snurken van Arne kan Alfred nauwelijks slapen. De onderneming valt zwaar tegen. “Bergen worden altijd hoger zodra je ze gaat beklimmen”

Wat drijft Alfred? Zijn onderzoek is zinloos. Hij denkt meer en meer in samenzweringen. Door de vijandschap tussen Sibbelee en Nummedal is hij  gedwarsboomd. Als blijkt dat Mikkelsen wel luchtfoto’s heeft van het gebied raakt hij geheel van slag. Hij zou hem willen doodtrappen. Was het opzet? Gaf Nummedal Mikkelsen de foto’s om hem tegen te werken? Wanneer hij de foto’s nauwkeurig bekijkt blijkt er niets op te staan dat zou kunnen wijzen op meteorietgaten. De vertwijfeling is totaal.

Deze twijfel en de misverstanden projecteert hij ook op anderen. Iedereen houdt iedereen voor de gek! Verderop in het boek is er een discussie, of gedachtestroom - beide vormen gaan nogal eens in elkaar over bij Hermans – over oorspronkelijkheid en eerlijkheid. De conclusie is: “van groot tot klein, allemaal eindigen we als bedrieger.” De chirurg, de bakker, de automonteur. “Iedereen komt als inbreker aan de kost.”

Uiteraard kun je het bedrog toepassen op de ontwikkeling die Alfred zelf doormaakt. De belangrijkste vooruitwijzing, het noodlot hangt voortdurend over de tocht.  Qvigstad en Mikkelsen zijn op een ochtend verdwenen, zij kiezen een andere route. Alfred en Arne blijven achter. Door alweer een misverstand loopt Alfred later alleen in het oneindige landschap. Hij is Arne kwijtgeraakt en gaat naar hem op zoek. Dagen later vindt hij hem, liggend onder aan een helling, met zijn hoofd tegen een steen. “Dit is geen slapen. Dit is nooit meer slapen.”

Vooraf kan de lezer dit zien aankomen. Alfred valt een keer nogal hard. Arne zegt: “je had wel dood kunnen wezen.” Zo zijn er tientallen van dit soort opmerkingen, zowel richting Alfred als richting Arne.

Een ander onderwerp dat vaak terugkeert in Alfreds denken is het lot van zijn vader. Als bioloog is hij op jonge leeftijd verongelukt op een expeditie. Alfred treedt in zijn vaders voetsporen. Zijn moeder moedigt hem hierin aan. Wat de vader niet heeft kunnen worden, de grote wetenschapper, moet de zoon waarmaken. Het noodlot van de vader treft echter niet Alfred, maar wordt afgewenteld op Arne.

Daarbij ziet hij Arne soms als een vaderfiguur. Wanneer hij hem nog zoekt denkt hij dingen als: Arne heeft voorraad genoeg, hij zal niet kwaad op mij zijn en: “Arne zal niet verbaasd wezen. Hij doet al twee dagen niets anders dan naar mij uitkijken.”

Dit wisselt hij af met ideeën over Arne als de strenge vader, die hem ziet als een zwakkeling. Wanneer hij later het dagboek van Arne leest komt daar een ander beeld naar voren, alweer een verkeerde inschatting.

Er is door kritische lezers weleens verondersteld dat Alfred Arne heeft vermoord. Het ‘bewijs’ daarvoor is de veelheid aan vooruitwijzingen. Alfred fantaseert over de hemel en zijn vader. Hij denkt: Als ik niet bijgelovig ben, hoe komt het dan dat ik zulke dingen toch verzin?”

Bovendien is Alfred een onbetrouwbare verteller, die ons misschien bewust misleidt. Zijn motief kun je zoeken in de vadermoord. De druk op Alfred om in zijn voetsporen te treden valt hem te zwaar. En iedereen eindigt immers als bedrieger.

Ik vind deze interpretatie wat te ver gaan. Alle aanwijzingen naar ongeluk en dood kunnen ook verwijzen naar een lullig ongeval. Dit past evengoed in het werk van Hermans als mislukkingskunstenaar. Maar de boeken van Hermans zijn zelden eenduidig.

Naast het spannende verhaal en het navoelbaar beschrijven van ontberingen staat het boek vol bespiegelingen die vaak weer naar elkaar verwijzen. Maar vooral de breed uitgemeten mislukking maakt ‘Nooit meer slapen’ tot een der beste naoorlogse Nederlandse romans. Ik ben benieuwd hoe de verfilming is.

De tocht en de roman is een experiment, een mislukt experiment, evenals het leven zelf. Maar is dit zo? “Niemand kan tweemaal op hetzelfde punt beginnen. Elk experiment dat niet herhaald kan worden, is helemaal geen experiment. Niemand kan met zijn leven experimenteren. Niemand hoeft zich te verwijten dat hij in den blinde leeft.”


De moeder, ook een bedriegster – zij schrijft recensies over boeken zonder de boeken te lezen – sluit Alfred bij thuiskomst in de armen. Zijn tocht is in haar ogen geslaagd. Als beloning krijgt hij een cadeau dat ooit door zijn vader is gekocht: een meteoriet. De moeder heeft er twee manchetknopen van gemaakt voor zijn promotie.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen