dinsdag 1 april 2014

Jaco Berveling – Op het tweede gezicht


Het uiterlijk van mensen zegt iets over het innerlijk. Deze overtuiging bestaat al zolang er mensen bestaan. Jaco Berveling, socioloog en Blijdorper heeft een geweldig boek geschreven over hoe de wetenschap zich in de 18de en 19de eeuw op de gelaatskunde en schedelmeetkunde stortte. Deze nieuwe wetenschappen werden ongekend populair. In de twintigste eeuw verdwenen beide kunden van het wetenschappelijke toneel. Aan het eind van de 20ste eeuw keert echter het gezichten lezen in een totaal ander jasje terug in de wetenschap, speciaal de psychologie.


Berveling beschrijft deze hele geschiedenis met allerlei prachtige voorbeelden. Hij is niet vies van smeuïge verhalen en verrassende anekdotes. Dit maakt het verhaal, dat verder strak is opgezet, bijzonder leesbaar. Om de relativiteit van al onze kennis te illustreren vertelt Berveling aan het begin van zijn boek over de zgn. scarpologie. Dr. Garré, een Zwitserse geleerde, presenteerde deze kunde van het schoenenlezen eind 19de eeuw. Schoenen zouden veel zeggen over het karakter van de mens: afgesleten zolen bij mannen = slapheid. Later werd hij niet meer serieus genomen. Maar zie, in 2012 vraagt een aantal onderzoekers uit Kansas zich af in hoeverre mensen het karakter van iemand kunnen inschatten aan de hand van schoenen. En jawel hoor, het lukt vrij aardig.

Berveling beschrijft de ontwikkeling van de fysiognomiek (gelaatskunde) van Lavater die vooral in de 18de eeuw populair was. Lavater zag het gezicht als de vingerafdruk van God. Talloze handleidingen verschenen er over dit onderwerp. Het werd een gezelschapsspel. Elk aspect van het gezicht kreeg betekenis. Vleesachtige wangen duidden op een lekkerbek. Neuzen, oren, lellen, alles werd gerubriceerd.
Dezelfde wetenschap werd toegepast op volkeren of rassen. Op deze vorm van volkenkunde kwam soms kritiek.“ Veel van deze volken zijn weliswaar ‘dom, lomp en bijgelovig’, maar je mag ze niet over een kam scheren.”

In de 19de eeuw was vooral de craniologie (schedelmeetkunde) van Gall en Spurzheim in trek. Volgens Franz Joseph Gall bestaat de schedel uit een hele reeks organen. De hersenen drukken op de schedel waardoor er uitstulpingen of deuken in ontstaan. Deze hebben allemaal betekenis. Het ging bij Gall en zijn volgelingen niet om een paar algemene eigenschappen, maar om heel gedetailleerde karaktertrekken zoals behaagzucht, wurgzin, steelzucht of geslachtelijke neiging.

Lombroso is een van de bekendste craniologen, maar betrok ook de fysiognomie in zijn werk. Zijn onderzoek richtte zich op het herkennen van de geboren misdadiger aan de vorm van het gelaat en de schedel. Hij was eind 19de eeuw een erkend wetenschapper en waanzinnig populair in heel Europa. Later viel hij hard van zijn voetstuk.

Berveling behandelt expliciet de Nederlandse situatie. Zowel de impact van de 18de eeuwse gelaatskunde als die van de 19de eeuwse schedelmeetkunde bespreekt hij uitvoerig. Naast volgelingen waren er ook mensen die kritiek hadden op de buitenlandse meesters. Er werden Nederlandse vertalingen uitgebracht en er ontstonden genootschappen. Aan het begin van de 20ste eeuw neemt de serieuze belangstelling voor deze vormen van wetenschap af. Na het misbruik ervan door Nazi-Duitsland staat het ideeëngoed helemaal in een kwaad daglicht.

Onder het ‘gewone volk’ zijn deze populaire wetenschappen nooit weg geweest. Er verschijnen titels als Mensenkennis in een oogopslag (1955), Uw gezicht een open boek (1978) en Ik zie het aan je (2009). Dit is maar een selectie van het aanbod. In Nederland verscheen vlak na de oorlog een boekje  van ene Mr. Max. Hij onderscheidde een aantal menstypen met bepaalde gelaatstrekken, waaronder het kastelein-type en het geleerde-type. Dieven hadden volgens hem een lange, puntige neus en lange armen. De auteur merkt op dat dit erg handig is voor dieven.

In dit genre van pseudowetenschap zijn interessante excessen te bespeuren. Zo bestaan er tenenlezers en borstenlezers. In de VS is de moeder van Sylvester Stallone een bekend billenlezer of bil-oloog. Berveling behandelt het allemaal met de nodige onderkoelde humor. Hij onderwerpt zich zelfs aan een gelaatkundige analyse bij Ans Bijvank. Hij ontvangt natuurlijk louter positieve woorden over zijn karakter.

Vanaf hoofdstuk 7 verandert ‘Op het tweede gezicht’ van onderwerp. Het historische verhaal over de ‘wetenschap’ van het gezichtenlezen en schedelmeten maakt plaatst voor hedendaagse psychologie.
Berveling laat zien dat de hedendaagse inzichten aangeven dat we wel degelijk iets kunnen aflezen van iemands uiterlijk. De invalshoek verschilt echter hemelsbreed van die uit de vorige hoofdstukken. De empirie is het uitgangspunt. Uit allerlei psychologische testen blijkt dat mensen zaken als gezondheid, dominantie en betrouwbaarheid redelijk goed kunnen aflezen.

De vragen die hedendaagse wetenschappers zich stellen luiden: hoe werkt dit precies? Welk (causaal) verband is er tussen de inschatting en het gezicht? Welke psychologische of biologische verklaring kan dit hebben? Enzovoorts. De fysiognomie deed - net wat astrologie, bil-ologie e.d. nog steeds doen - precies het omgekeerde: de verklaring en het verband staan vast. De waarnemingen worden hier zo goed mogelijk ingepast. Een meting kan zo nooit de verklaring weerleggen. Nog een verschil is het relatieve van de inschattingen. Een percentage van 70% is vrij sterk en berust op meer dan toeval. Maar tegelijkertijd zit 30% er dus naast. Freno- en andere logen, net als veel pseudo-wetenschappers, schermen vaak met 100% zekerheid. De gewone man denkt bij een verband ook meestal aan 100%.

In deze hoofdstukken moest ik steeds aan de beroemde econoom en psycholoog Daniel Kahneman denken. Hij legt in zijn boek ‘Thinking, fast and slow’ juist de nadruk op het hoge percentage foute inschattingen op basis van onze intuïtie en waarschuwt dat we hier absoluut niet blind op mogen varen. Een bekend voorbeeld is het inschatten van de geschiktheid van sollicitanten. We oordelen vaak binnen een paar seconden. In veel gevallen blijkt deze keuze na enkele maanden toch niet de juiste. Een objectieve selectie kan veel leed besparen, want zo goed werkt onze intuïtie niet.

Terug naar Jaco Berveling. Agressie herkennen mensen vrij goed. Er is een duidelijk verband tussen de vorm van de schedel (denk aan de jukbeenderen) en de mate van agressie. Dit heeft alles te maken met de hoeveelheid testosteron. Deze zorgt voor zowel een hoekige schedel met forse jukbeenderen als een verhoging van agressief gedrag, alles relatief natuurlijk.

Na vele andere prachtige voorbeelden komt Berveling tot vier mogelijke verklaringen waarom we bepaalde karaktertrekken kunnen aflezen aan gezichten. De eerste is evolutionair (het verhoogt de kans op overleven). De tweede verklaring is hormonaal (zie het voorbeeld hierboven over agressie). Dan is er de verklaring dat veelgebruikte expressies sporen nalaten op het gezicht.

Tot slot  geeft Berveling een heel interessante verklaring. Karakters worden namelijk ook gemaakt door de blik van de ander. Als iedereen iemand met een babyface als een zacht ei benadert, wordt zo iemand ook meer een zacht ei: "stereotypes can and do … create their own social reality. Verwachtingen worden werkelijkheid.” De stereotypen kunnen zo sterk zijn dat het zelfs effect heeft op de persoon zelf die zichzelf elke dag in de spiegel ziet.

In de slotparagrafen van ‘Op het tweede gezicht’ zwakt Berveling de mate waarin mensen echt iets kunnen aflezen van iemands gezicht weer wat af. Als echte wetenschapper laat hij zien dat tal van andere omstandigheden er ook toe doen en iets kunnen zeggen over een persoon: de kleding, de stem, een geur, enzovoorts. Bovendien zijn de omstandigheden van de beoordelaar soms cruciaal voor een beoordeling. In welke context zie je iemand? Hoe zit je zelf op het moment van beoordelen in je vel? En zelfs de fysieke omstandigheden als het comfort van een stoel waar je op zit kan een oordeel over iemand doen veranderen.

Wees dus voorzichtig, vertrouw op je intuïtie als het niet anders kan, maar oordeel pas op het tweede gezicht! Berveling eindigt zijn schitterende boek een beetje moralistisch en sluit af met een lang citaat uit 1788 waarin precies wordt gewaarschuwd voor een te snel oordeel.

Geen opmerkingen: