Willem Brakman stuurt in 1961 zijn debuutroman Een winterreis naar Vestdijk, die enthousiast reageert en het boek werkelijk voortreffelijk vindt. Brakman woont dan in Enschede waar hij bedrijfsarts is: ‘Een baan in de luwte, waardoor hij meer tijd en vrijheid heeft om te schrijven’, zoals Nico Keuning schrijft in het voorwoord bij deze door hem samengestelde briefwisseling. Vestdijk komt in deze eerste brief na het compliment meteen ter zake en vraagt Brakman om tranquillizers. Dit gebedel om middelen om zijn depressies in toom te houden is een constante in de brieven die lopen tot augustus 1969, anderhalf jaar voor zijn dood.
De brieven geven een goed inzicht in de fixatie die Vestdijk had op zijn geestelijk welzijn, niet verwonderlijk want hij werd zeer geregeld overvallen door endogene depressies die hem platlegden en hem het schrijven onmogelijk maakten. Hij informeert bij Brakman naar de werking van middelen als atarax, librium, broom, tofranil en meer, waarna deze hem uitleg geeft en de middelen waar hij aan kan komen toezendt. Tussendoor roddelen ze over hun gezamenlijke vriend Nol Gregoor en reageren ze kort op de boeken die ze schrijven en elkaar toesturen. Brakman zit niet bepaald stil en brengt soms in een jaar meer boeken uit dan Vestdijk. Halverwege 1963 schrijft Vestdijk dat hij hoogstens 4 uur per dag doorbrengt achter zijn werktafel: ‘Of daar gewerkt wordt? Och ja, dat wil wel eens gebeuren.’ Een half jaar later heeft hij alweer twee romans voltooid.
In onder meer deze brief lees je dat hij veel bezig is met het vinden van een evenwicht in zijn dagelijkse dagindeling, en eigenlijk in zijn hele leven. Uitvinden welke doseringen van welke middelen hiervoor nodig zijn past in dit streven. In 1962 besluit hij een brief met: ’Het leven is een steeds hersteld evenwicht.’ Bij dit evenwichtige leven past ook een vrouw. Nadat Ans Koster in 1965 is overleden, waarover niks in de briefwisseling te vinden is, trouwt hij als de bliksem met de veel jongere Mieke van der Hoeve.
Uit de brieven merk je een ietwat scheve verhouding in de vriendschap. Vestdijk is veel ouder en is complimenteus over het werk van Brakman. Of hij zich er echt in heeft verdiept, vraag ik mij af. Hij is meer geïnteresseerd in de pillen die Brakman hem kan leveren. Brakmans brieven zijn ook meer verzorgd, terwijl de brieven van Vestdijk meer uit de losse pols lijken te zijn geschreven.
Ter afsluiting een citaat uit een brief van Brakman van 20 maart 1962: ‘Dank voor je brief waarin de genezing (of het broomrecidief) dreigend doorklinkt. De vraag over eventuele schade bij langdurig gebruik heb ik op het hoofdkantoor overgebracht en had de gebruikelijke profetische prietpraat ten gevolge; voor A zus, voor B zo… enz. als het kán dan minderen, als het niet kan, doorgaan. Echte schadekansen zijn zeer gering kreeg ik de indruk en jouw dosering ligt vergelijkenderwijs laag. Zelf ben ik geneigd de grens te leggen bij het moment dat je mij muziekkritieken gaat toesturen, dan grijpen we snel in, er volgt een ontwenningskuur met broom waarvan die vervelende acne zo goed te bestrijden is met librium.’ Toch het laatste woord aan Vestdijk, die twee maanden later schrijft dat we voorzichtig dienen te begrijpen dat depressies slechts door depressies kunnen worden bestreden.











