dinsdag 17 november 2015

Tania Heimans – Het huis met de leeuwen

‘Het huis met de leeuwen’ is een fijn Rotterdams boek. Het gaat over de Rotterdamsche Diergaarde van voor de oorlog en over Corry Kuiper-de Jongh, de vrouw van de directeur. Tanja Heimans heeft het boek opgezet als roman, maar je kunt het ook als een geschiedschrijving of een biografie lezen.


De oude diergaarde bevond zich op de plek waar nu het Centraal station en het Groothandelsgebouw staan. Er is niets meer van terug te vinden. Heimans gaat uitvoerig in op de jaren voor de oorlog, de periode dat Corry en haar man kinderen krijgen en de tuin hun leven bepaald. Maar het is ook de periode dat Corry meer uit het leven wil halen: zij gaat alleen op reis en zij levert bijdragen voor diverse kranten.

Naast de levensgeschiedenis van Corry zit de spanning in het boek vooral in het noodlot dat de tuin boven het hoofd hangt: het bombardement en de oorlogsperiode. In de zelfde tijd speelt de nieuwbouw op een andere locatie: Diergaarde Blijdorp.

Het verhaal begint rond 1900, wanneer Corry door haar kindermeisje wordt meegenomen naar de dierentuin. Haar vader is rechter en door zijn positie kan hij lid worden van de dierentuin. Voor de kleine Corry is de tuin één groot avontuur, een sprookje.

Later komt zij er vaker. Het is een bekende ontmoetingsplaats waar geliefden uit de hogere klassen elkaar treffen. Voordat zij helemaal volwassen is verhuist de familie de Jongh naar Amsterdam. Corry neemt met weemoed afscheid van de tuin. Door een speling van het lot keert zij na jaren terug naar Rotterdam.

Zij ontmoet in Amsterdam Koen Kuiper, met wie zij later trouwt. Koen is bioloog en in 1921 aanvaardt hij de functie van onderdirecteur in de Rotterdamsche diergaarde. Een paar jaar later wordt hij directeur.

Het gezin betrekt de ruime woning op het terrein. Corry had dit huis als kind al bewonderd, nu woont zij er met haar man en kinderen. Koen gaat volledig op in het werk in de diergaarde. Corry zoekt haar eigen weg.

Zij worstelt met haar rol als de vrouw van de directeur en is bovendien vatbaar voor depressies. Op een gegeven moment – de kinderen zijn nog jong - gaat zij naar Zwitserland om te kuren. Het wordt een mooie tijd, waar zij later met regelmaat aan terugdenkt. Zij ontmoet er schrijvers, kunstenaars en vrijdenkers

Vaker heeft zij zulke vakanties van haar gezin. Haar man heeft er moeite mee, maar gunt het haar wel. Een tweede uitlaatklep is haar schrijfwerk. Voor de NRC en de Haagsche Post schrijft zij, weliswaar anoniem, over het leven als huisvrouw. Er komt zelfs een boekje van uit.

Daarnaast heeft Corry wel degelijk aandacht voor de dierentuin. Met name de opvang van jonge dieren ligt haar. Het meest bekend is de leeuw Tammo. Zij masseert hem en imiteert de geluiden die een moederleeuw zou maken. Tammo wordt gezoogd door de hond Blackie. Zij blijven vrienden, ook al groeit Tammo een flink stuk boven Blackie uit.

Een bijzonder onderwerp in ‘Het huis met de leeuwen’ vind ik de omgang die mensen in die vooroorlogse tijd met de dierentuindieren hadden. Apen werden in huis genomen, kinderen konden op de rug van een olifant rijden en dieren werden kunstjes geleerd, zoals sigaren roken.

Tijdens concerten in de tuin huilden de wolven weleens mee met de hoge tonen van de tenor. Hiervoor werd iemand naast de kooi gezet die een stuk hout tegen het gaas gooide om de wolven stil te krijgen.

Regelmatig kregen apen spiegeltjes of zelfs doosjes lucifers aangereikt van bezoekers. Alleen om te lachen om de schrikreacties van de dieren. Apen pakten ook wel eens een sigaar of hoedje af van een bezoeker.

Het meeste bizarre verhaal tijd was dat van de jonge neushoorn Kali. Op proef kwam Kali naar Rotterdam. De handelaar leverde er een jongen bij, de achtjarige Nasor. Hij kende de neushoorn en het was de bedoeling dat zij samen in het hok sliepen. Dat vond Corry te ver gaan. Het duo werd omarmd door de pers en de bezoekers vonden het fantastisch.

Een nog vreemder plan was de ‘aankoop’ van een groep Senegalezen, om tentoongesteld te worden: alles om meer bezoek te trekken. Het ging niet door. De dalende bezoekersaantallen bleven wel een bron van zorg in de jaren dertig. De tuin was in principe alleen voor leden. Daarnaast bestonden er kwartjesdagen waarop de gewone man de tuin mocht bezoeken.

Het hele vooroorlogse verhaal van de Rotterdamsche Diergaarde bereikt in mei 1940 een climax. Jaren hiervoor was er al nagedacht over een nieuwe locatie voor de dierentuin: Blijdorp. Het eerste ontwerp is van Brinkman en van der Vlugt. Zij delen de visie van Koen: ruime hokken en aandacht voor dierenwelzijn.

Uiteindelijk wordt het ontwerp van Ravensteyn uitgevoerd. Koen verzet zich tegen de plannen, die meer uitgaan van architectonische principes, krullen en symmetrie, dan van dierenwelzijn. Het publiek vindt het ontwerp wel mooi en het besluit over de verhuizing is een feit. In deze tijd van crisis ontvangt de tuin een ruime bijdrage van stichting Volkskracht. Dat scheelt ook.

Diergaarde Blijdorp is al volop in ontwikkeling als de ramp zich voltrekt voor de oude tuin. Twee dagen voor het bombardement van 14 mei worden de dierverblijven getroffen door bommen. De schade is groot. De dag erop schiet men uit voorzorg de roofdieren af. Alleen Tammo blijft in leven. Een paar dagen later zijn het de branden, niet de bommen, die de tuin verder vernietigen. De brandweer staat machteloos.

De oorlogsjaren zijn zwaar voor Koen Kuiper. Op 7 december 1940 wordt Diergaarde Blijdorp geopend. Het is niet zijn tuin, ook niet die van Corry. Wel zien zij het publiek toestromen. Bezoekersaantallen zijn nog nooit zo hoog geweest. De tuin is nu voor iedereen toegankelijk, maar dit verandert snel.

De NSB’er Offerhaus neemt in oorlogstijd het directeurschap van Kuiper over. Koen verzet zich actief tegen het plaatsen van de borden ‘Verboden voor Joden’. Het mag niet baten, hij wordt ontslagen. Het personeel staat niet negatief tegenover de nieuwe directeur. De salarissen gaan omhoog: “hij is fout maar het is een goeie vent.”

Heimans beschrijft de verdere oorlogsperiode niet zo gedetailleerd als de vooroorlogse tijd. Haar verhaal draait tenslotte om Corry en de oude tuin. Zij gaat wel in op het lot van alle kinderen van het echtpaar in de bezettingstijd en beschrijft zij heel mooi het opnemen van een Joods kind in hun gezin.

Na de oorlog wordt Koen Kuiper in zijn functie hersteld. Maar enkele jaren treedt hij af vanwege principiële verschillen in inzicht met het bestuur. Later blijkt het vooral Corry te zijn geweest die niet meer met het bestuur overweg kon. Heimans gaat hier niet uitgebreid op de achtergronden in.

‘Het huis met de leeuwen’ vertelt een prachtige geschiedenis. Tijdens het lezen vroeg ik mij wel vaak af: is het een roman of is het een historische studie? De latere jaren van het leven van Corry behandelt Heimans vluchtig. Dit is begrijpelijk omdat het bronnenmateriaal waarschijnlijk beperkt was. Als het boek een echte roman zou zijn, was dit niet nodig geweest.

In de details is Heimans nadrukkelijk historisch verantwoord. Vooral in het weergeven van de achtergronden van vooroorlogs Rotterdam is zij sterk. Maar zelfs betekenissen van uitdrukkingen worden uitgelegd. Iemand was gesjeesd. Heimans legt uit dat in vroeger tijd studenten die met hun studie stopten op een oude kar, een sjees, werden weggezonden.

Wanneer zij iets minder aandacht aan dit soort zaken zou hebben besteed – en ook bijvoorbeeld minder aandacht aan alle kinderen -  en iets meer de vrijheid had genomen de gaten in het verhaal zelf in te vullen, had er wellicht meer drama in het boek gezeten en was het een echte roman geworden.

Maar dit is slechts een klein kritiekpunt. Heimans heeft voor deze vorm gekozen en heeft een prachtig, historisch verantwoord en uitstekend leesbaar boek geschreven. Wellicht is ‘Het huis met de leeuwen’ een goede aanleiding om op de plek waar de oude dierentuin ooit stond een gedenkplaat op te richten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen