donderdag 5 november 2015

James Mauro – Twilight at the world of tomorrow

In de ‘Twilight at the world of tomorrow’ worden drie verhalen verteld: het verhaal van de New York World’s Fair in 1939/1940, het verhaal over twee politieagenten van de anti-terreur eenheid die de aanslag op 4 juli 1940 op diezelfde tentoonstelling niet overleefden en het verhaal van Albert Einstein, gevlucht voor het Duitse regime.


De wereldtentoonstelling is de spil in het boek. De ambities waren enorm. In de zomer van 1936 kondigde Robert Moses aan dat deze Fair over drie jaar zou openen en “it would be bigger, grander en more spectaculair than any exposition to date.”

Het terrein - Flushing Meadows – was driemaal groter dan dat waar de Chicago’s World’s Fair een aantal jaren ervoor had plaatsgevonden. Begin jaren dertig was het een immense afvalberg. F. Scott Fitzgerald beschreef het als “a valley of ashes”.

James Mauro beschrijft de aanloop als een spannend jongensverhaal. Zowel organisatorisch, financieel en bouwkundig was het een race tegen de klok. Grover Whalen werd president van de wereldtentoonstelling. Hij was politiecommissaris geweest, organiseerde zo vaak hij maar kon ticker tape parades en stond bekend als Mr. New York.

Met mooie verhalen kreeg hij bijna iedereen in New York en ver daarbuiten zover een bijdrage te leveren aan deze tentoonstelling. In Europa bezocht hij de belangrijke machthebbers en overtuigden hen ervan mee te doen en te investeren in een paviljoen.

Als het om PR ging was Whalen de juiste man op de juiste plek. Het belang ervan kon volgens hem niet overschat worden. Dat de werkelijkheid er voor investeerders er later anders uitzag, was voor later zorg. Ook het tempo van de bouw mocht niet geremd worden door allerlei regels en wetten. Burgemeester La Guardia steunde hem hierin. Zijn doel was “to keep the engineers one step ahead of the lawyers”.

Een van de grootste uitdagingen om toeristen naar de tentoonstelling te krijgen was het imago van New York. “The back country hates all cities, but especially it hates New York.”

De reputatie van gevaarlijke stad werd nog eens versterkt door de vele bomaanslagen. Bijvoorbeeld in 1938 toen er verschillende bommen ontploften in bioscopen als gevolg van arbeidsconflicten.

In diverse hoofdstukken gaat Mauro in op de politie van New York en speciaal de afdeling die zich met deze aanslagen bezighield. Het levensverhaal van Joe Lynch and Freddy Socha staat hier centraal. De climax is de bomexplosie op 4 juli 1940 die beide mannen het leven kostte.

In het Britse paviljoen vond een medewerker een tikkende koffer. Pas een dag na de vondst schakelde hij de politie in. De koffer werd naar buiten gebracht. Het kon geen tijdbom zijn, want dan zou er binnen 24 uur een ontploffing moeten volgen. Het bleek wel een bom. Er vielen enkele zwaar gewonden en twee doden. Wanneer de bom in het paviljoen zou zijn ontploft, zouden er honderden slachtoffers zijn gevallen.

De daders – ze werden gezocht bij nazi sympathisanten - zijn nooit gevonden. Maar als gevolg van deze aanslag werden er veiliger methoden van ontmanteling ontwikkeld. New York was in 1940 in de greep van bommeldingen, meer dan 400  per week. De politie zocht continue naar bommen. Meestal was het vals alarm. Nog voordat Amerika zich in de Tweede Wereldoorlog mengde voelde  New York af en toe als een oorlogsgebied.

De aanslag op de wereldtentoonstelling vond plaats in het tweede seizoen. Bij de opening in 1939 bestonden twee landen al niet meer - Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije – het tweede jaar werd een groot deel van de Europese paviljoens beheerd door regeringen in ballingschap. Medewerkers van bijvoorbeeld het Poolse en Belgische paviljoen hadden geen idee waar zij heen konden als de Fair was afgelopen. Sommige landen trokken zich helemaal terug, zoals Nederland en de Sovjet Unie. De paviljoens werden gesloten.

Voor directeur Grover Whalen betekende dit een flinke deuk in zijn geloof in de tentoonstelling. Eind jaren 30 zag hij in de Fair een middel om landen tot elkaar te brengen en om de oorlog te voorkomen.

De reden van zijn vertrek als directeur aan het eind van seizoen één was een andere, een plattere: de bezoekersaantallen vielen tegen en de kosten waren te hoog. Whalen dacht ooit aan 60 miljoen bezoekers in één seizoen. Deze verwachting werd al snel bijgesteld. Uiteindelijk kwamen er 44 miljoen bezoekers in twee seizoenen, een paar miljoen minder dan in Chicago in 1933/34.

Hijzelf werd opzij gezet door een minder flamboyante en meer zakelijke directeur: Harvey Gibson. Een van de eerste dingen die hij deed was de entree verlagen. Het mocht niet baten. Toen na afloop de balans werd opgemaakt bleek de nieuwe directeur niet zuiniger dan Whalen; de post externe inhuur was wel flink hoger het tweede seizoen.

Op de achtergrond van de World’s fair speelde voortdurend de oorlog een rol. Mauro besteedt hier natuurlijk aandacht aan, maar gaat er niet structureel en voortdurend op in. Whalen negeerde de oorlog zoveel mogelijk. Het was niet goed voor het imago van de Fair.

Naast het sluiten van paviljoens en medewerkers die niet terug naar hun land konden waren er protestdemonstraties: tegen de nazi’s, maar ook tegen Groot-Brittannië, met name om de politiek die de Britten in Palestina voerden. Een discussie die in heel New York woedde ging over de vraag in hoeverre de Nazi’s mochten demonstreren in het openbaar. Het leidde allemaal tot veel onrust.

Waar de oorlog wel heel dichtbij kwam was in het leven van Albert Einstein. Hij ontvluchtte het Naziregime. Tijdens een lezingentournee in Amerika besloot hij te blijven. Hij kreeg het staatsburgerschap.

Whalen wilde de beroemde Einstein inzetten voor de wereldtentoonstelling. Bij de opening hield Einstein een lezing. Zijn wetenschappelijke uiteenzetting over licht moest hij onder protest inkorten. Zijn speech bleek onverstaanbaar en het weer werkte ook tegen. Teleurstelling alom. Sowieso leek de tentoonstelling twee soorten weer te kennen: snikheet of stortbuien. Vele activiteiten moesten hierdoor afgeblazen worden.

In latere hoofdstukken gaat Mauro dieper in op Einsteins rol rond het ontwikkelen van een atoombom. Einstein vreesde dat de Duitsers de bom snel zouden hebben. En hem ook zouden gebruiken. Voor de pacifist Einstein was dit een dilemma. Hij bracht in 1939 via verschillende tussenpersonen president Roosevelt op de hoogte van zijn zorg. Het leidde eerst tot niets. In 1941 werd echter het Manhattan-project gestart om een bom te ontwikkelen. Einstein werd er niet bij betrokken. Mauro veronderstelt dat de Amerikanen hem toch niet helemaal vertrouwden. Na de oorlog protesteerde Einstein openlijk tegen de atoombom.

Bij deze hoofdstukken over Einstein is de link met de wereldtentoonstelling een beetje zoek. Dat is jammer, wel begrijpelijk. James Mauro probeert in één boek zoveel onderwerpen te behandelen. Het is prachtig, maar eigenlijk ondoenlijk. In deze bespreking heb ik een hoop onderwerpen niet eens aangeroerd.

Er zijn tal van bizarre verhalen te lezen in ‘Twilight at the world of tomorrow’, zoals over het amusementspark, waar Voodoo-dansers optraden, voortdurend een stoet aan half blote dames te zien was en waar als circus-attractie een heel dorp was ingericht voor kleine mensen: Midget-town. En er was Oscar, the obscene octopus…

Een populair paviljoen was ‘The world of tomorrow’ waar een wel zeer optimistisch beeld van de toekomst werd gegeven: een kolossale bewegende maquette die bezoekers van bovenaf konden aanschouwen. Er waren veel snelwegen, maar vlak na de opening werd ontdekt dat de bedenker was vergeten kerken te bouwen in deze toekomstwereld. De fout werd snel hersteld.

Grappig verliep het bezoek van koning George en koningin Elizabeth. Er was een strak tijdschema, maar dit liep vertraging op. Het eerste wat George vroeg aan de reeds overspanen Whalen was, wanneer de lunch werd geserveerd. Hij had nergens anders belangstelling voor. Wat bleek, George moest nodig naar  het toilet.

Tot slot, aan het eind van de tentoonstelling, die door Whalen werd gezien als een middel tegen de oorlogsdreiging, werd een vrees van hem bewaarheid. Veel materiaal van de Fair werd direct na sluiting omgewerkt voor oorlogsdoeleinden, vooral de veertigduizend ton staal kwam goed van pas.

James Mauro heeft met ‘Twilight at the world of tomorrow‘ een prachtig beeld gegeven van deze roerige New-Yorks periode. Hij is soms wat wijdlopig, gaat dan weer diep in op een aantal details. De balans is daarmee soms wat weg, maar al met al is het een zeer boeiend boek.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten