woensdag 3 september 2014

John Williams – Augustus




Na Stoner en Butcher’s Crossing is dit de derde roman van John Williams die is vertaald in het Nederlands, wederom door Edzard Krol. De auteur is al twee decennia dood en heeft zijn herontdekking die begon in Amerika met een aantal lovende recensies bij de heruitgave van Stoner, niet meegemaakt.


Augustus is Williams’ laatste van zijn vier romans. Het boek kwam uit in 1972 en hij ontving er een jaar later de National Book Award voor. In het boek wordt het leven geschetst van keizer Augustus. Williams doet dit aan de hand van brieven, dagboekfragmenten en andere ‘bronnen’. Deze zijn fictief, maar het leven van Augustus klopt historisch. De vrienden, vijanden en familieleden die in het boek optreden hebben bestaan.

Ik moest even wennen aan de stijl van het boek. Er komen veel namen voorbij, de documenten staan niet altijd in chronologische volgorde en het perspectief wisselt nogal eens. Na de eerste vijftig pagina’s kom je in het boek en krijgt het beeld van Augustus steeds meer vorm.

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel is Julius Caesar gedood. Hij was de oom van Octavius, zoals Augustus toen nog heette, en had hem aangewezen als opvolger. Je leest aan de hand van de documenten de opkomst van Augustus. Hij is jong en moet hevige strijd leveren om zijn positie. Velen willen een deel van de macht grijpen. Zijn leven staat bol van de onderhandelingen en intriges.

Julius Caesar gaf hem voor zijn dood adviezen. “Ik heb de wereld veroverd, en nergens is hij veilig” “Ik minacht degenen die ik kan vertrouwen en hou het meest van degenen die me als eerste zouden verraden. Ik weet niet waarheen we gaan, ook al leid ik een land naar zijn bestemming.” “We zullen over het land marcheren, van het land leven, en doden wie we moeten doden. Dat is het enige leven voor een man. En de dingen zullen gaan zoals ze zullen gaan.”

Augustus zegt in navolging hiervan en naar aanleiding van een gesprek over wie zijn vijanden zijn en wat er moet gebeuren met de moordenaars van zijn oom. “We weten niet waaruit die macht bestaat, we weten niet wie zich tegen ons zullen verzetten, dat kunnen we niet weten. We weten niet eens wie hem hebben vermoord. De macht zal worden wat wij ervan maken.”

In het tweede deel is de keizer volwassen. Zijn macht is bevestigd, de tegenstanders zijn verslagen. Hij is een godheid. In dit deel zien we hem veel vaker vanuit het perspectief van zijn dochter. Vanwege een echte of vermeende samenzwering koos hij ervoor haar te verbannen, als alternatief voor de doodstraf.

Je leest hier al de twijfel bij Augustus. Hij heeft zijn doelen bereikt, maar heeft hij het goed gedaan? En hoe kan hij zich staande houden, tussen de wolven om hem heen die hem continu bedreigen.

De zeden verwilderen in Rome. Hij kondigt wetten af om dit te beteugelen, maar weet eigenlijk al dat het zinloos is. “Want geen enkele wet is geschikt om er de geest mee aan banden te leggen of een verlangen naar zedelijkheid mee te vervullen. Die taak is weggelegd voor de dichter of de filosoof, die kan overtuigen omdat hij geen macht heeft.”

Boeiend is om te lezen hoe anders dan nu deze zeden waren ten tijden van Augustus. Ik ga er vanuit dat dit historisch klopt. Ten eerste is een mensenleven weinig waard. En slaven en vrouwen hebben nauwelijks rechten. Huwelijken worden tot op het hoogste niveau gearrangeerd om trouw af te dwingen en coalities te sluiten.

Tamelijk wreed is dat bij onthoofdingen, die veelvuldig voorkomen, het hoofd wordt meegenomen als trofee of als bewijs. Openbaar tentoonstellen van een hoofd lijkt ook heel gewoon.

Tijdens het oorlog voeren kent men geen genade. De vijand moet dood. Over een  veroverde stad lezen we in een militair bevel dat deze wordt opengesteld om zich te verrijken. Met de bevolking wordt geen rekening gehouden.

In een brief van Maecenas aan Titus Livius meent hij de geur van een moralist te bespeuren. Hij noemt dit het meest nutteloze en verachtelijke wezen dat er bestaat. Hi verzoekt hem dringend geen moralist te worden. Dit geeft wel aardig de Romeinse ethiek in de hoogste kringen weer.

In het laatste, korte deel zien we een meer berustende Augustus. Hij is bijna 50 jaar aan de macht geweest. De bitterheid is verdwenen. Hij is een oude man en schrijft een paar dagen voor zijn dood een brief aan een kennis, vrienden heeft hij niet meer.

Hij denkt terug aan zijn persoonlijke leven en mijmert over de liefde. De sensuele liefde is vluchtig, ook andere vormen van liefde verdwijnen: ”geliefden worden oud of trekken verder; het vlees verzwakt; vrienden sterven; en kinderen verwezenlijken, en dus verraden, de potentie die wij eerst in hen zagen.” Wat rest is een ander soort liefde. “Het is de liefde van de geleerde voor zijn tekst, de filosoof voor zijn idee, de dichter voor zijn woord.”

Williams heeft met het verhaal van Augustus een originele en prachtige roman geschreven. Het onderwerp is weer anders dan in zijn andere twee vertaalde boeken. In Stoner draait het om een boerenzoon die een het brengt tot literatuurdocent op een universiteit. Butcher’s Crossing speelt zich af in het Wilde Westen. Will Andrews gaat mee op een fanatieke en langdurige bizonjacht. De jacht brengt geen geldelijk gewin en de vraag is of na alle ontberingen het hem iets heeft opgeleverd.

Drie boeken die zich afspelen in drie totaal verschillende culturen. Het najagen van een ideaal is de rode draad. Uiteindelijk wordt dit ideaal niet bereik; beter gezegd, de relativiteit ervan wordt ingezien, dit doet het ideaal verschrompelen.

Daarbij speelt de strijd om de macht in alle drie de boeken een rol. Bij Augustus natuurlijk in het groot, bij Stoner en tijdens de bizonjacht in het klein. Maar bij alle drie is de persoonlijke machtsstrijd cruciaal. En ik herhaal een belangrijk citaat: “De macht zal worden wat wij ervan maken.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen