woensdag 25 juni 2014

Jerzy Andrzejewski – De poorten van het paradijs


Dit boek van Andrzejewski  zit wonderlijk in elkaar. De auteur is een bekende Poolse schrijver. Hij is vooral bekend om zijn oorlogsroman ‘As en diamant’ uit 1947. ‘De poorten van het paradijs’ is uit 1960. Het boek speelt zich af tijdens een Middeleeuwse Kinderkruistocht. De stijl is zangerig en repeterend. De iets meer dan 100 pagina’s tekst bestaat uit twee zinnen. De tweede zin telt slechts 6 woorden.


Tijdens de tocht op weg naar Jeruzalem, door heidense Turken bezet, doet op één dag een aantal personages hun verhaal aan een oude monnik. De monnik, die eerder in Jeruzalem is geweest, neemt hen de biecht af en moet de missie zijn zegen geven. Wat hij te horen krijgt zijn behoorlijke complexe liefdesverwikkelingen.

Jacob van Cloyes is een aangenomen kind. Hij wordt Jacob de Vondeling genoemd, later Jacob de Schone. Hij woont in een eenzame hut en hoort op een dag de stem van God die hem oproept naar Jeruzalem op te trekken.

Blanche is verliefd op Jacob, net als Alexis. Maud is weer verliefd op Alexis, die niks van haar moet hebben. Alexis is een aangenomen kind. Zijn adoptievader was ooit betrokken bij een slachtpartij tijdens de verovering van Constantinopel. Hij doodde Alexis’ natuurlijke ouders en nam het kind mee. Hij voedde hem niet alleen op en maakte hem erfgenaam, maar werd ook zijn minnaar.

Dergelijke relaties en gewenste relaties bepalen de motieven voor deze kruistocht. “…vergeef mij, lieve barmhartige Jezus, dat ik niet uit liefde tot u naar uw verre graf ga, doch gebonden door een andere liefde…”
Uit de bekentissen komt meer en meer naar voren dat persoonlijke verhalen en begeerten de jongeren dreef om op pad te gaan. Het religieuze motief (het vertrouwend geloof en de onschuld van kinderen) leidt tot een redenering dat alles geoorloofd is om het hoogste doel te dienen.

Deze redenering maakt plaatst voor een bekentenis als de volgende: “…deze handen zijn de handen van een moordenaar, wat betekent blind geloof en geloof  op zichzelf in het aangezicht van deze handen, die de handen van een moordenaar zijn en thans slechts wellust kunnen ontrukken aan onderworpen lichamen, slechts wellust kunnen geven en nemen, want wanneer alles faalt, blijft de begeerte over, niets anders, geen liefde en geen trouw, alleen begeerte, de metgezel der eenzamen…”

De bevrijdende tocht is voor velen een vlucht. De monnik schudt meewarig zijn hoofd op het verhaal dat Jacobs tocht werd ingegeven door de Goddelijke stem die hem hoop gaf: “…niet de leugen maar de waarheid vernietigt hoop..” De gelovigen houden zich liever vast aan leugens.

Andrzejewski schreef het boek tegen de achtergrond van het communisme. Het is een kritiek op massabewegingen. Czeslaw Milosz wijst hier op in ‘The history of Polish literature’. De achtergrond van massabewegingen ligt in de angst om alleen te zijn en is uiteindelijk gegrond op begeerte en wellust.

‘De poorten van het paradijs’ is een complex boek; je moet er je hoofd bijhouden. Na meer dan 60 jaar is het nog steeds actueel. Een blik op de televisie, waar ik hysterische groepen voetbalsupporters zie schreeuwen, is voldoende om dit te bevestigen.

De monnik kan na het aanhoren van alle verhalen en motieven zijn zegen niet uitspreken. De massa luistert echter niet meer naar hem. Hij komt ten val, ligt in de modder en wordt vertrapt. De stoet rust niet en loopt door op weg naar Jeruzalem. De tweede zin luidt: “En zij gingen de gehele nacht.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen