In mijn project om alle romans van Vestdijk te lezen of te herlezen merk ik dat ik zijn historische romans een beetje vooruit heb geschoven. Sommige zijn erg dik en de onderwerpen leken mij niet altijd even boeiend, zoals piraterij begin achttiende eeuw. Dat is natuurlijk een vooroordeel, want Vestdijk is een auteur die over alles boeiend kan schrijven. Toen ik in Puriteinen en piraten begon, zijn zeventiende roman, geschreven in het najaar van 1945, eerste druk oktober 1947, was ik meteen verkocht. Ik las het spannende boek in drie dagen uit. Het verhaal is niet heel complex en Vestdijk heeft zich hier ook ingehouden voor wat betreft zinslengtes en doorwrochte zinsconstructies. De ze zeeroversroman is gewoon een zeer fijn leesboek.
Het verhaal begint in 1718 in Boston op de werf van Edmund Hancock waar gebouwd wordt aan de Merrimac, een bijzonder schip en een opdracht van drie rijke heren uit Boston. Wat zij met het schip willen blijft lang onduidelijk. Ondertussen is kapitein Becker aangesteld en heeft de roodharige stuurman John Quelch een bemanning geworven. Edward Faneuil is de hoofdpersoon in het verhaal. Hij is het neefje van de reder en heeft meegewerkt aan het schip. Hij wil dolgraag mee met de eerste reis van de Merrimac en krijgt dit na wat aandringen voor elkaar.
Aan boord wordt na enige tijd de opdracht onthuld. De bedoeling is om in Zuid-Amerika de rivier de Orinoco af te varen om op zoek te gaan naar het goud van El Dorado. De bemanning ziet dit absoluut niet zitten en slaat onder leiding van Quelch aan het muiten. Becker wordt met wat bemanningsleden op een sloep gezet en de Merrimac gaat verder als piratenschip. Edward wil beslist aan boord blijven en trekt steeds meer op met Quelch, de nieuwe kapitein die meteen verordent geen Engelse schepen aan te vallen en bij hun andere overvallen niet zinloos te moorden. Zijn eerste stuurman is hier op tegen en wil juist naar Madagaskar varen, waar het een vrijhaven voor piraten is en van daaruit hun rooftochten voortzetten. Via wat verwikkelingen komt er op een gegeven moment een dame aan boord, madame Arabella Godolphin, die alles op scherp zet. De spanningen tussen Quelch en zijn stuurman lopen verder op en na wat ontwikkelingen, waar ook Edward bij betrokken is, gaat Arabella van boord en wordt later de opstandige stuurman gedood.
Een paar dingen maken de scènes aan boord bijzonder levendig en lezenswaard. Vestdijk beschrijft een behoorlijk aantal bemanningsleden, maar weet ze allemaal heel goed een eigen karakter en specifieke uiterlijke kenmerken te geven, waardoor je ze meteen van elkaar kunt onderscheiden. De woeste zeelui drinken en vechten veel aan boord, hebben littekens of missen vingers maar sommige personages zijn nog wreder dan anderen. Zo is de kanonnier Tom Mac Cawley zeer prikkelbaar en opvliegend. ‘Het was een kolos van een vent, met een haviksneus, enigszins scheefstaand, die bijna meelijwekkend was van onbeteugelde agressiviteit: daaronder een gezwollen onderlip, waarin al het bloed scheen te worden bewaard, dat hij ieder uur van de dag in zijn hersenen nodig kon hebben voor driftbuien.’ Voor Edward zijn de bemanningsleden eerst nog een homogene massa van baarddragende woestelingen, later leert hij ze meer persoonlijk kennen, maar hij vertoeft toch vooral bij de officieren. Grappig is dat Vestdijk zo kan opgaan in het beschrijven van personen en gebeurtenissen dat hij soms personages vergeet aandacht te geven. Zo is Edward een paar hoofdstukken uit beeld, totdat Vestdijk zich kennelijk bedenkt dat hij een hoofdrol heeft en hem opeens weer alle ruimte geeft.
Een tweede reden dat het verhaal op zee zo boeiend is, is de spanning. Het schip komt in een geweldige storm terecht en Vestdijk beschrijft in tientallen pagina’s dit gevecht tegen de elementen. Hij gebruikt hier, net als in de rest van de roman, zeer veel scheepvaarttermen, maar deze gedetailleerde beschrijvingen dragen juist bij aan de spanning. Een ander spannend element is de ontdekking dat de hele muiterij een vooropgezet plan zou zijn van de hoge heren in Boston. Zo blijken deze drie puriteinse mannen qua moraal weinig te verschillen van de zogenaamde piraten. Wanneer het schip terug is in Boston volgen er een aantal hoofdstukken die draaien om de schuldvraag - moet John Quelch hangen? - en die in lange rechtbankscenes worden uitgevochten. Het complot van de drie heren komt op tafel, maar een echte straf blijft uit. Het slot is toch vooral een compromis en herkenbaar Vestdijkiaans, want zelden krijgen slechteriken in zijn romans hun verdiende loon.
Puriteinen en piraten is een zeer amusante en lichtvoetig geschreven roman, maar dat wil niet zeggen dat er geen typisch Vestdijkiaanse beschrijvingen in te vinden zijn. Tot slot een geestige typering van de stem van een van de vele dronkenlappen die in het boek voorkomen: ‘en sprak met een stemgeluid, waarin alle wijnen ter wereld hun bezinksel schenen te hebben achtergelaten.’

Geen opmerkingen:
Een reactie posten