donderdag 9 juli 2026

Arnon Grunberg – Amuse Gueule


Na het lezen van zijn recentste verhalenbundel Het aanwezige been kreeg ik van L. een eerdere verhalenbundel van Arnon Grunberg aangereikt. Amuse Gueule is uit 2001 en bevat zijn vroege verhalen, uit de periode 1991-1997. De verhalen schreef hij voor kranten en tijdschriften en een aantal ervan verschenen als losse uitgave, waar tegenwoordig op de website boekwinkeltjes flinke bedragen voor worden gevraagd. De stijl in alle verhalen is herkenbaar Grunbergiaans, maar de vroegste verhalen zijn soms wat flauw. Halverwege legde ik het boek een week opzij, de tweede helft beviel daarna een stuk beter.

De hoofdpersoon is in bijna alle verhalen Grunberg zelf. Hij woonde in de tijd waarin hij ze schreef voornamelijk in New York en de meeste spelen zich daar af. Echt autobiografisch kun je ze niet noemen; Grunberg houdt ervan om te spelen met feit en fictie. De hoofdpersoon is meestal een buitenstaander, die open staat voor allerlei vreemde ontmoetingen en zijn medemens als een rare diersoort beschrijft. Hijzelf gedraagt zich onhandig, laat zich meeslepen in andermans obsessie en komt in moeilijkheden terecht. Hij gaat bijvoorbeeld mee met een Franse kok om te jagen en raakt niets, of een medewerkster van een literaire encyclopedie wil met hem uit eten en ontpopt zich als een gekkin, waarna hij zichzelf opsluit op het herentoilet. Hij volgt in een ander verhaal Engelse taallessen, waar hij niets van leert, maar waardoor hij wel de meeste wonderlijke types leert kennen.

De verteller kijkt in eerste instantie op tegen mensen uit het literaire circuit, vooral als zij hem bewonderen en iets van hem willen. Hij ontmoet een poëzierecensent bij de Volkskrant. De man komt eten, maar hij eet niet. Hij schreeuwt om glazen water en overhandigt hem zijn gedichten. Deze zijn niet best en als Grunberg hem later bezoekt op zijn zolderkamertje is de ontluistering compleet. De man komt schreeuwend aan de deur, wilde net zijn vrouw uit huis gooien en roept nog dat hij beroemd gaat worden en hij mij mee omhoog zal trekken. ‘Ik dacht in mijn kinderlijke onwetendheid: je wordt niet voor niets poëzierecensent van de Volkskrant.’ Zo vraagt een oudere toneelregisseur-acteur hem een stuk te schrijven met veel zwarte humor. De man en zijn acterende vrouw zijn niet blij met het resultaat en het stuk wordt nooit opgevoerd. Ook in dit verhaal laat Grunberg met veel humor de zelfoverschatting en kleingeestigheid van zogenaamde beroemde mensen zien.

De iets langere verhalen Linkerschoen en Geldpest zijn hoogtepunten in deze bundel. Het eerste verhaal gaat over zijn korte filmcarrière en het tweede over de brand in zijn appartement in Manhattan waar hij zojuist was ingetrokken. Het verhaal zit vol verrassende wendingen en vreemde ontmoetingen. Hij komt halfnaakt op straat te staan, de brandweer ziet hem aan voor een gek en helpt hem niet; later drinkt hij - alweer aangekleed - flessen champagne in een hotelbar en geeft zich uit voor privédetective. Hij raakt zijn papieren kwijt, maar het lukt hem toch om naar Las Vegas te gaan, waar hij zich aan de roulettetafel De Kakkerlak laat noemen. Om zes uur in de ochtend is er van de recette van Blauwe Maandagen niets meer over. Ergens onderweg krijgt hij van een taxichauffeur een lesje over wapens: ‘Wie niet van wapens houdt, houdt niet van mensen’. De jongeman smeert hem voor 500 dollar een klein wapen aan, waar hij vervolgens de grootste moeite voor moet doen het ergens in een vuilnisbak te dumpen. Het is een prachtig verhaal van 26 pagina’s waar je de hele Grunberg in leest: op het oog realistisch, maar vol absurditeiten die toch niet helemaal onmogelijk lijken.

Geen opmerkingen: