zaterdag 11 juli 2026

Henk Smeets en Fridus Steijlen – In Nederland gebleven


Onlangs onthulde minister-president Jetten aan de Rotterdamse Lloydkade het monument Ulu Kora ter herdenking aan de eerste generatie Molukkers die hier vijfenzeventig jaar geleden aan wal kwam. Dit waren bijna dertienduizend voornamelijk KNIL-soldaten en hun gezinnen die na de onafhankelijkheid van Indonesië geen kant op konden. Jetten bood bij de onthulling namens de Nederlandse overheid zijn excuses aan ‘voor het harteloze en eerloze ontslag van de militairen en voor de behandeling toen ze na 1951 in Nederland kwamen.’ In deze uitgebreide studie - een eerste editie van het boek verscheen in 2006 - beschrijven Henk Smeets en Fridus Steijlen stap voor stap de geschiedenis van de Molukkers in Nederland. 

In Nederland gebleven is een naslagwerk waarvoor de twee auteurs uitgebreid bronnenonderzoek hebben gedaan. De focus ligt op de relatie tussen overheden en de Molukse gemeenschappen; iedere commissie en ieder wetsvoorstel behandelen de auteurs. Zij zijn erop uit om vooral de feiten te presenteren. Dat is een uitstekend uitgangspunt, want bij een onderwerp waar zoveel emoties aankleven is het goed om feiten en sentimenten te onderscheiden. Soms zijn zij hier iets te rigide in. Zij noemen de Molukse identiteit het centrale thema in deze studie. Identiteit omvat ook alle sentimenten en zelfs mythes die binnen de groepen leven.

De geschiedenis van de Molukkers in Nederland is met geen enkele andere groep te vergelijken. Zij waren geen arbeidsmigranten en ook geen vluchtelingen die asiel aanvroegen. De meeste kwamen in 1951 in één keer als groep naar Nederland en hun status bleef lang onduidelijk. Zij waren inwoners geweest van een voormalige Nederlandse kolonie, maar geen Indonesische burgers. De meesten hadden geen paspoort en waren stateloos. Hun vertrek was niet geheel vrijwillig. Molukkers werden groepsgewijs gehuisvest en de overheid nam de eerste jaren de volledige zorg op zich. Zowel de Nederlandse staat als de Molukkers gingen ervan uit dat het verblijf in Nederland tijdelijk zou zijn. Daarom was er bewust geen aandacht voor integratie. Dit veranderde pas na decennia.

Rond de aankomst in Nederland waren er al direct een aantal zware beslissingen genomen door de overheid, waar nog steeds over gedebatteerd wordt en waar men boos over is. Ten eerste was er de vraag in hoeverre de Molukse KNIL-soldaten een vrije keuze hadden om naar Nederland te gaan. Op 25 april 1950 werd de Republik Maluku Selatan (RMS) uitgeroepen; later in dat jaar werd Ambon door het Indonesische leger bezet. De guerrilla werd op het eiland Ceram voortgezet. Van de 65.000 KNIL-soldaten in 1949 waren er in juli 1950 nog bijna 17.000 in dienst, waaronder een groot aantal Molukkers. Een deel van de Molukse KNIL-soldaten was gedemobiliseerd, een deel was ontslagen en zo’n 1.000 waren er zelfs overgestapt naar het Indonesische leger, dat was dus voor het uitroepen van de RMS. 

In 1951 moest er iets gebeuren met de overgebleven KNIL-soldaten. Het overleg tussen de Nederlandse en Indonesische overheid verliep stroef en KNIL-soldaten en hun gezinnen liepen reëel gevaar. In korte tijd werd besloten om hen tijdelijk over te brengen naar Nederland. Minister-president Drees was tegen het uitgeven van een dienstbevel, maar veel Molukse KNIL-soldaten ervoeren toch dwang. Er was hen en keuze voorgelegd: overgang naar het Indonesische leger, demobilisatie in Indonesië of naar Nederland gaan. Bij het weigeren van een keuze zou de betaling worden gestaakt. In feite kon men dus niet anders dan naar Nederland gaan; het idee dat dit een tijdelijke oplossing was, zal mensen ook over de streep hebben getrokken. Al was er dus feitelijk geen sprake van een dienstbevel, dwang werd zeker gevoeld, te meer daar er voorbeelden zijn van officieren die dreigden met een dienstbevel. Een belangrijke reden voor deze snelle overbrenging was eigenlijk dat de Nederlandse regering het probleem weg uit Indonesië wilde hebben om de betrekkingen met het land te kunnen normaliseren.

Een tweede beslissing die voor veel militairen traumatisch is geweest, was dat bij aankomst in Nederland zij collectief ontslag uit dienst kregen. De redenen hiervoor waren deels formeel, ze konden bijvoorbeeld officieel bestempeld worden als Indonesische staatsburgers, maar deels ook racistisch: de groep werd gezien als niet te integreren in de Nederlandse samenleving en het Nederlandse leger. Bovendien zouden ze hier maar tijdelijk verblijven. 

Een derde punt waar in sommige gezinnen veel frustratie en verdriet over is, is het verhaal dat gezinnen slechts twee kinderen mochten meenemen bij de overtocht. Henk Smeets en Fridus Steijlen hebben in de archieven hier geen enkel bewijs voor gevonden; er gingen juist veel gezinnen met meer dan twee kinderen naar Nederland. Het was zeker geen beleid, maar het is ook waar dat gezinnen soms kinderen of andere familieleden hebben achtergelaten. Bekend is dat volwassen thuiswonenden kinderen niet mee gingen of niet mee mochten. Overigens voeren er op verschillende boten heel wat verstekelingen mee; kennelijk ging dit vrij eenvoudig. Wat vaker aan de hand was, was dat een deel van het gezin tijdelijk elders verbleef en het schip moest vertrekken. Op dat moment werd misschien gedacht dat het niet bezwaarlijk was als een kind bij een oma achterbleef omdat zij toch snel weer terug zouden keren naar Indonesië, maar dat gebeurde dus niet. En ik kan mij voorstellen dat lokaal, bepaalde officieren zelf beslissingen namen en mensen om welke redenen dan ook weigerden, maar het is zeker geen beleid geweest kinderen van hun ouders te scheiden. Maar ook hier is er een verschil tussen wat officieel was en hoe mensen iets hebben ervaren. Het sentiment is soms belangrijker voor een (groeps-)identiteit dan de feiten.

De geschiedenis vanaf de aankomst in 1951 wordt door de twee auteurs gedetailleerd beschreven. Zij onderscheiden een aantal markeringen in deze geschiedenis; de eerste twee zijn de overtocht naar Nederland en het collectieve ontslag. In 1956 zien zij een derde markering bij de invoering van de zelfzorg en in 1960 de verhuizing vanuit de woonoorden naar woonwijken. Beide markeringen zijn aanzetten tot integratie in de Nederlandse samenleving. Deze vier eerste markeringen werden bepaald door de Nederlandse overheid. De vijfde markering was de radicalisering bij een de tweede generatie in de jaren zeventig en de heroriëntatie op het leven in Nederland een decennium later de zesde. Deze werden vanuit de Molukse gemeenschap ingezet. 

In 1986 leidde een gezamenlijke inspanning tot een zevende markering: de Gezamenlijke Verklaring, met maatregelen om de positie van Molukkers in Nederland te verbeteren. Als achtste onderscheiden de auteurs het conflict in Indonesië, de Kerusuhan, waarbij de Molukkers zich weer in de steek voelden gelaten door de Nederlandse overheid. Als laatste markering zien zij in de jaren tien de zichtbaarheid van de derde en vierde generatie die zelf het voortouw nemen en waardoor er nieuwe organisatievormen ontstaan. Hier zou je misschien de excuses van Jetten aan kunnen toevoegen als tiende markering, maar het is natuurlijk nog duidelijk wat dit werkelijk gaat betekenen.

De hele ontwikkeling vanaf 1951 kun je zien als een beweging van segregatie naar integratie en als een emancipatiebeweging. Deze ontwikkeling is eigenlijk niet goed te vergelijken met de integratie van andere groepen immigranten, want tot in de jaren zeventig bleef het idee van non-integratie en terugkeer bestaan. Naast deze duidelijke ontwikkeling zijn er tal van andere thema’s en gebeurtenissen die door Smeets en Steijlen worden beschreven in deze uitputtende studie, zoals de werkgelegenheid, het onderwijs en de woonsituatie onder de Molukkers, vrouwenemancipatie, de aanloop naar de gijzelingen en ander acties, culturele uitingen onder vooral jonge Molukkers, de situatie in Indonesië, de geschiedenis van de RMS en andere clubs die de gemeenschappen vertegenwoordigen, de kerken, demografische ontwikkelingen, het vraagstuk van de pensioenen, de vele overleggen met de overheid en nog veel meer.

Het is bij dit alles goed om te beseffen dat - hoewel de Molukkers grotendeels als één groep Nederland binnenkwamen – zij niet één homogene groep waren. De meeste waren christelijk, maar er waren ook katholieke en islamitisch Molukkers. Er waren radicale bewegingen die het RMS-ideaal met geweld wilden bereiken en er waren Molukkers die hier verder vanaf stonden. De twee auteurs beschrijven uitvoerig de vele verschillende clubs en comités van Molukkers, en laten daarmee goed de diversiteit maar ook de onderlinge verdeeldheid zien.

Tijdens het lezen van dit boek kwamen er geregeld vragen bij mij op, bijvoorbeeld: wat is een Molukker? In 1951 werd het woord Ambonees gebruikt, later werd er ook over Zuid-Molukkers gesproken. De schrijvers werpen de vraag zelf ook op als zij beschrijven dat er eind jaren zeventig veel Molukkers in Amsterdam woonden. Deze groep woonde niet in een Molukse wijk en zij waren niet opgevoed met de Adat (gewoontewetten, tradities en culturele praktijken) of met het verhaal over de Molukse KNIL-geschiedenis. Er werd in de jaren tachtig veel gediscussieerd over wat een ‘echte Molukker’ was. In het boek worden vijf kenmerken aangehaald; naast de adat en wonen in een Molukse wijk, zijn dit huidskleur, beheersing van het Moluks-Maleis en een Molukse achternaam. Opmerkelijk is dat dit voor een deel kenmerken zijn die je in één generatie kunt verliezen of winnen. Opvallend is bijvoorbeeld dat een vrouw die met een Molukse man trouwde geheel opgenomen werd in hun cultuur en eigenlijk ook Moluks werd.

Tot slot is er een tweede vraag die steeds door mijn hoofd spookte tijdens het lezen; deze gaat over het RMS-ideaal van een vrije Molukse staat. Dit ideaal wordt honderden keren in het boek genoemd; in de loop van de geschiedenis nam de aanhang toe en af, er waren veel voorstanders, maar ook sceptici onder de Molukkers zelf. De twee auteurs stellen dat eind jaren zeventig het RMS-ideaal niet erg leefde op de Molukken zelf. Wat ik graag had willen lezen is hoe dit ideaal er precies uitzag of nu nog uitziet, heel praktisch: om welke eilanden ging het precies, welke bestuursvorm zagen zij voor ogen, hoe zouden de verkiezingen eruit moeten zien en wat zou er moeten gebeuren als de meerderheid op bijvoorbeeld Ambon het niet zou zien zitten, zou men bereid zijn oorlog te voeren voor zelfstandigheid van Indonesië, enzovoorts? Ik kan mij niet voorstellen dat er geen plannen zijn uitgedacht in al die jaren, maar in het boek worden ze helaas niet besproken. Los hiervan is In Nederland gebleven een uniek standaardwerk, waar ik veel uit heb geleerd en dat ik iedereen aanraad die meer over deze geschiedenis weten wil.


Geen opmerkingen: