woensdag 7 oktober 2015

Hans Zirkzee – Jazz in Rotterdam


Jazz in Rotterdam’ is een monument. Het vierkante boek is 500 pagina’s dik, rijk geïllustreerd en mooi vormgegeven. Het weegt een paar kilo. Hans Zirkzee beschrijft de jazz in Rotterdam vanaf het prille begin, dat is vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw. ‘Jazz in Rotterdam’ was genomineerd voor het beste Rotterdamse boek 2015.



Het boek is chronologisch opgezet. Elk van de 9 hoofdstukken beslaat een tijdperk. Daarnaast is er in elk hoofdstuk in aparte paragrafen alle ruimte voor kleine biografieën, festivals, podia en bands. Elk aspect van de jazz in Rotterdam wordt behandel door Zirkzee.

De keerzijde is dat deze pil het karakter heeft van een naslagwerk. De tekst is geen vloeiend geheel, geen lopend verhaal. Dit komt door de verschillende bronnen die hij heeft gebruikt, met name de lange citaten, soms hele interviews. Daarnaast zijn de tussenliggende teksten en inleidingen op hoofdstukken vaak wat stijf geformuleerd. Desondanks is het onderwerp boeiend genoeg om ‘Jazz in Rotterdam’ in zijn geheel uit te lezen.

De oergeschiedenis van de jazz in Rotterdam begint halverwege de negentiende eeuw met optredens van ‘negerartiesten’ zoals de ‘Washington Minstrels’ en de ‘Ethiopian Serenades’. Dergelijke optredens vonden plaats op kermissen en vaudevillerevues, waar vooral de ritmische bewegingen erg opvielen.

Zirkzee besteedt veel aandacht aan de plekken waar werd opgetreden. Rond 1900 waren dit de variététheaters en een nieuw verschijnsel: de bioscopen, waar live muziek werd gespeeld. Het is natuurlijk de vraag vanaf wanneer je deze muziek jazz kunt noemen. Maar het uitgebreide uitgaansleven, met name de vele podia, gaven alle ruimte aan nieuwe muziek. Danspaleizen als Pschorr en Lybelle waren erg populair.

De term jazz werd eerst alleen geassocieerd met een dans, pas later met muziek. In de jaren 20 volgde de verschillende dansrages elkaar snel op: de Charleston, de Volta, de Jimska, de huppa-huppa, de heebie jeebies, enzovoorts.

Niet iedereen was gecharmeerd van jazzmuziek. In 1919 schreef een journalist in de Vaderlander: “Is jazz muziek? Nee, het is een opwindend, krankzinnig makend geluid, dat langzaam in je vreet en je tot den rand van den waanzin brengt.”

Hij was niet de laatste die zo over jazz dacht. Bij een optreden van Josephine Baker in Rotterdam werd geschreven over het opwekken van primitieve instincten en de triomf van het oerwoud.

Het grote aantal podia in Rotterdam bleef bestaan tijdens de crisis van de jaren 30. Het leek wel of er meer mensen uitgingen dan ooit. Het aantal amateur jazzbands groeide. Zij hadden markante namen als The Swing Devils, Max Weller and his Noise Mongers of de Bobtonflippers. De crisis zorgde wel voor een toestroom van buitenlandse muzikanten. Zij waren goedkoper en concurreerden met de Nederlandse bands.

Naast de grote danspaleizen waren er ook kleinere zaken. In 1936 werd een jazzcafé geopende aan de Binnenweg 94. Voorheen zat hier cabaret de Hel. De nieuwe zaak heette Mephisto. Elke avond werd er live jazz gespeeld en zat de tent stampvol. De politie moest regelmatig langskomen om het publiek in bedwang te houden. Het legendarisch Mephisto bestond slechts twee jaar. Brand verwoestte het café.

In deze bloeiperiode speelde er, net als in latere periodes, een felle richtingenstrijd. Het ging toen tussen de liefhebbers van concertjazz en de mensen die jazz zagen als dansmuziek.

Het vierde hoofdstuk in ‘Jazz in Rotterdam’ handelt over de oorlog. Een aantal muzikanten moest onderduiken, anderen hadden juist extra werk. Namen werden aangepast van Engels naar Duits of Nederlands. Veel muzikanten overleefden de oorlog niet. Zirkzee maakt een beetje misplaatste grap in dit kader. In een stukje over Annie ’t Zelfde, die geld verdiende in een NSB-orkestje. “Annie kwam ook om, maar dan in het werk.”

Uitgegaan werd er onverminderd tijdens de eerste oorlogsjaren. Jazz werd weliswaar verboden – het werd ‘internationale Kulturpest’ genoemd – maar op sommige plekken kon er toch gespeeld worden, met name op Katendrecht, waar geen Duitser zich vertoonde.

Een ander uitkomst was de overstap naar de Hawaï-muziek. Deze ananasmuziek mocht wel gespeeld worden. In Nederland waren op een gegeven moment 600 bands actief.

De periode na de oorlog was er een van schaarste. Het aanbod aan muziekpodia en jazzbands was in de jaren 50 karig. De samenleving was gesloten en weinig internationaal georiënteerd. En er werd volop tegen de verderfelijk jazz geageerd. “Jazzmuziek betekende een gevaar voor en een aantasting van de nationale cultuur.” De geschiedenis herhaalde zich.

Een lichtpuntje was de komst van de bebop. In Rotterdam drong deze muziekstijl ook door en stuitte eerst natuurlijk op verzet onder de traditionele liefhebbers van de swingmuziek. In de jaren 60 werd de bebop langzaamaan gewoon en bloeide de jazz op in Rotterdam.

Dit was vooral te danken aan de vele podia en de festivals in Rotterdam. Nieuwe zalen waren Jazzsociëteit B14, De Lantaren en bovenal de Doelen. Het Newport Jazzfestival bracht vanaf 1966 alle grote Amerikaanse jazzartiesten naar Rotterdam.

Zirkzee beschrijft de rijkdom van deze periode in vele paragrafen. Hij gaat  gedetailleerd en uitvoerig in op al de clubs en de talloze optredens. En alle belangrijke Rotterdamse muzikanten komen voorbij: Piet Noordijk, Rita Reys, Tony Viola, Greetje Kauffeld, enzovoorts. Iedereen krijgt een eigen paragraaf. Het is teveel om hier allemaal bij stil te staan.

Eind jaren 60 veranderde de samenleving in snel tempo, en de hele scene veranderde. Drugs drukte een stempel op de jeugdcultuur. Dealers hingen rond in tenten als De Ruimte en Exit. Net als de als hippies vermomde agenten.

Door de opkomst van de beat en de rock verdwenen er veel jazzclubs, of waren minder exclusief op jazz gericht. Op het Kralingse popfestival stonden jazz en pop naast elkaar. Een aardig detail is dat Frank Zappa er graag wilde spelen, maar hij werd geweigerd door programmeur Berry Visser.

Na het einde van het boek, vanaf de jaren tachtig, wordt het voor mij steeds interessanter, omdat het over een wereld gaat die ik zelf heb meegemaakt. B14, jazzhouse, jazzbunker, Thelonious, Dizzy, etc. komen aan bod. Zirkzee besteedt terecht veel aandacht aan de grote jazzprogrammeur en inspirator Willem van Empel, alias Willem Wodka.

Het jazz aanbod was ongekend begin jaren tachtig. Crisis lijkt een goeie voedingsbodem voor jazz. Ook nu was er een richtingenstrijd. Dixieland werd door de liefhebbers niet serieus genomen. In een jazznota stond zelfs dat alleen ‘compromisloze progressieve jazz’ in aanmerking diende te komen voor subsidie.

Sowieso was er voortdurend gekrakeel rond geld en subsidies van de Rotterdamse Kunststichting. Zirkzee gaat niet alleen hier uitvoerig op in, hij staat ook stil bij de Harbour Jazz club en de zanger Wim Koopmans. Zelfs Lee Towers krijgt een paragraaf.

In het laatste hoofdstuk wordt natuurlijk het North Sea Jazz festival besproken en geeft Zirkzee ruimte in zijn boek aan jonge talenten zoals Shirma Rouse, Ntjam Rosie en Kim Hoorweg. Eigenaardig zijn de 12 pagina’s die hij besteedt aan Rotterdamse drummers. De aandacht is terecht, maar een aantal kwam al in eerdere hoofdstukken voorbij.

Al met al is ‘Jazz in Rotterdam’ een naslagwerk waar geen enkele jazzliefhebber of Rotterdam-freak omheen kan. Het boek omvat alle vormen van jazz, iedereen die weleens op een toeter heeft geblazen in Rotterdam staat erin. Zirkzee staat terecht stil bij de vele podia, de festivals, de stromingen en geeft genoeg leuke anekdotes. Jammer blijft in dit encyclopedische werk dat er teveel wordt opgesomd in aparte stukjes tekst en je toch te weinig wordt meegesleept in een samenhangend verhaal.

Tot slot rest de vraag wat onderscheidt Rotterdam als jazzstad van Amsterdam?
Zirkzee gaat er niet uitvoerig op in. Hans Dulfer zei hierover: “Het Rotterdamse publiek houdt van een stevig soort muziek, enthousiast en recht voor zijn raap. In Amsterdam moeten er dubbele bodems in zitten.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten