Een deur in oktober is een merkwaardig boek. Het verscheen eind 1999 en op het wikkel van mijn versie staat ‘De laatste/eerste roman van deze eeuw’ en als extra vermelding: ‘met de allure van een thriller’. Er zit zeker wat spanning in het verhaal dat draait om twee dagen in het leven van galeriehouder W.B. Walter, maar het boek zit ook vol dubbele bodems, beschouwingen en grapjes, zaken die je niet vaak ziet in zogenaamde spannende boeken.
Walters galerie zit in Den Haag. Het is familiebedrijf, zijn vader en grootvader bezaten de galerie al. Hij verkoopt niet veel, maar hij heeft genoeg geld om de zaak open te houden en iedere dag mijmerend achter zijn bureau te gaan zitten. Twee klanten spelen een rol in dit verhaal: Eddy Paas, de verschrikkelijke sneeuwman, zoals een van zijn bijnamen luidt en ene Louise die grote interesse heeft in een schilderij van Paas. Eerst verschijnt Louise. Walter is erg gecharmeerd van haar en laat haar zelfs de verborgen kelder zien, waar werk van meesters van de Haagse school hangt. De volgende dag komt hij erachter dat zij een bekende televisiepersoonlijkheid is. Eddy Paas duikt na haar op. Hij is een bohemien en een ruziezoeker, maar ook een van de best verkopende schilder uit zijn galerie. Hij heeft geld nodig en Walter geeft het hem. Maar de reeds bestaande irritatie over Paas’ gedrag is bij hem opgelopen en hij slaat de schilder in dood in zijn geheime kelder.
De sfeer in het boek is wat springerig en relativerend en eigenlijk weet je niet zeker of deze gebeurtenissen werkelijk plaatsvinden of zich alleen in het hoofd van Walter afspelen. Hij is zich bewust van de misdaad en wil af van de auto van Eddy Paas. Deze actie brengt hem bij een familiefeest waarvoor hij eigenlijk bedankt had. Hij spreekt zijn neef, die schrijver is en hem voortdurend om bevestiging vraagt. Toevallig heeft hij een verhaal geschreven waar een vrouw in voorkomt die opvallend veel op Louise lijkt. Er volgen meer toevallige ontmoetingen, waarbij je vermoedt dat het hersenspinsels van de hoofdpersoon zijn. Tegen het einde duiken er wat onderwereldfiguren op en krijgt Walter het benauwd.
Tussendoor trakteert Van Zomeren de lezer op bespiegelingen over kunst. ’Het punt is of er over schilderen iets zinnigs te zeggen valt en dan zeg ik: best wel, als je er maar vanuit gaat dat schilders schilderen wat ze zien.’ ‘Dus als ze een vreemde manier van schilderen hebben,’ concludeerde Louise, ‘dan komt dat doordat ze een vreemde manier van zien hebben.’ ‘Ja, dat blijft het probleem,’ gaf Walter ernstig toe. ‘Ze kunnen hele vreemde dingen zien.’ Even later gaat het over een zekere opleving van het realisme en zegt hij; ‘Realisme is het streven van kunstenaars om te zien wat iedereen kan zien. Dat valt ook al niet mee.’
Leuk is dat Van Zomeren regelmatig Walter uit het verhaal laat stappen en bijvoorbeeld schrijft: ‘Sorry, dit moest er even tussendoor.’ Al met al is het een wat ongrijpbaar boek. Ik kwam niet echt in het verhaal, maar een aantal scènes vond ik erg goed en ook de persoon Walter is mooi neergezet. Tot slot geeft Koos van Zomeren in dit boek een prachtig beeld van wat we tegenwoordig mansplaining noemen, een citaat: ‘Daar verscheen een man met een jongensachtig gezicht en grijze krulletjes. hij zat op zijn praatstoel. Hij produceerde woorden zoals een staalarbeider zweet produceert. Nu en dan werd er door een vrouwenstem een vraagje in deze stroom gegooid. Maar dat was nauwelijks van invloed. En waar ging het over? Genocide in het gebied van de Grote Meren in Afrika? Onregelmatigheden in het financiële beheer van Europese Gemeenschap. De zoveelste onovertroffen uitvoering van de vierde van Mahler door het Concertgebouworkest? Om dat te kunnen zeggen zou je in staat moeten zijn om te luisteren.’

Geen opmerkingen:
Een reactie posten