Het spook en de schaduw is Vestdijks vierenveertigste roman. Het boek kwam uit in 1966. Hij schreef het in maart en april 1965, een verbluffend korte tijd voor een boek van bijna 350 pagina’s. Maarten ’t Hart vond de roman niet geslaagd vanwege het optreden van echte spoken en het eindeloos ouwehoeren erover, maar ook vanwege de nodeloos lange zinnen en het gebruik van rare woorden. Pauline Slot is daarentegen wel positief omdat Vestdijk hier huiveringwekkend schrijft over het dader-slachtofferthema, al is de bewuste passage maar kort.
Het verhaal speelt in de Alpen, een locatie die vaker voorkomt in de romans van Vestdijk. In het eerste deel spelen de Nederlander Louise Holk en de gepensioneerde Duitse hoogleraar Genzmer een hoofdrol. Zij ontmoeten elkaar in het Alpendorpje. De professor vertelt over een hotel waar de geest zou rondwaren van de zoon van de eigenaresse van het hotel. Deze jongeman keerde niet terug uit de oorlog in Rusland en is waarschijnlijk na vijf jaar niet meer in leven. Holk besluit zijn intrek te nemen in het hotel en ziet prompt de zoon des huizes thuiskomen. De jongeman heet Peter Höllriegl en heeft, waarschijnlijk door zijn krijgsgevangenschap, een trauma opgelopen. Hij zegt nauwelijks een woord en vooral tegenover zijn moeder zwijgt hij.
De achternaam van de jongeman is typisch: Maarten ’t Hart vertaalt deze als Peter heldrempel, maar Riegel betekent ook sluiting of grendel, dat kijkt mij meer van toepassing. De gesprekken over de geestverschijningen, die overigens niet door iedereen serieus worden genomen, zijn soms wat langdradig, maar er zitten ook leuke redeneringen tussen. Zo vragen Holk en Genzmer zich af of er een geest kan verschijnen van iemand die nog in leven is? Dan zou de jongeman die terugkeerde misschien een spook moeten zijn. Of is Peter overleden en is de aangekomene iemand anders. Zelfs de moeder gaat even mee in deze gedachtegang en onderwerpt haar zoon aan een test waarbij zij dingen aan hem vraagt die alleen hij kan weten.
In het tweede en dikste deel van het boek zijn Holk en Genzmer buiten beeld. Peter woont in het hotel en men probeert van alles om hem aan het praten te krijgen. De dorpsbewoners vinden hem vreemd en zijn moeder schaamt zich voor hem. Hij wordt aan het werk gezet en volgt een cursus tot Alpengids. Het is geen succes. Dan mag hij met vrienden in de stad gaan pimpelen, wat ook op een fiasco uitloopt. Tenslotte brengt zijn moeder hem onder in een klooster. Hij weigert consequent zijn verhaal te vertellen en noemt slechts wat oppervlakkige details en wat algemeenheden. Zelf vindt hij dat hem weinig mankeert. Vestdijk laat hier mooi de bemoeizucht van een kleine gemeenschap zien, die het niet tolereert dat iemand afwijkt of weigert een geheim te delen. De buffetjuffrouw van het klooster krijgt wel iets uit hem los als zij vraagt of hij ongelukkig was bij de Russen. Hij antwoordt: ‘Ik ben hier ongelukkiger.’
De roman speelt een paar jaar na de oorlog en voortdurend verwijzen mensen naar het nazisme en beschuldigen elkaar van nazisme. Zo weigert de dorpsdokter Peter door te verwijzen naar een zenuwarts, omdat deze zenuwartsen allemaal nazi’s waren, en nog zijn. Dan kan hij nog beter het klooster in gaan. In het derde deel van het boek roept de moeder de hulp in het professor Genzmer. Hij verschijnt, samen met Holk, ten tonele. Omzichtig proberen zij Peter aan het praten te krijgen en gaan daarvoor met hem een berg op. De tocht eindigt dramatisch: Peter stort zich in een ravijn, hierbij al dan niet door geesten geholpen.
Aan het slot komt toch aan het licht wat Peter heeft meegemaakt. Hij was met een bijeengeraapt regiment aan het einde van de oorlog in een dorpje gestationeerd. De groep Joden die in het dorp zat ondergedoken werd eerst getolereerd, maar toen er een SS’er opdracht gaf hen te vermoorden, werd dit bevel op wrede wijze uitgevoerd. De mate van Peters betrokkenheid bij deze wandaad blijft onbekend, maar hij was dus niet alleen slachtoffer, ook dader.
Het spook en de schaduw bevat goeie passages, maar ik vind het een van de minst geslaagde romans van Vestdijk. Vooral het middenstuk is hier en daar erg langdradig. Je hebt soms ook geen idee waar het verhaal heengaat. Dit zie je vaker bij Vestdijk, maar dan weet hij toch de spanning erin te houden door vreemde wendingen in het verhaal of door zijn de manier van observeren en beschrijven. Wat wel weer is dat hij goed laat zien dat de motieven van waaruit mensen handelen zelden eenduidig zijn. Ze veranderen of ze worden pas achteraf verzonnen. In veel andere romans en verhalen zijn motieven van personages juist helder, als een soort handreiking naar de lezer toe en om iemand te karakteriseren, een vastomlijnd beeld te geven van een personage. Vestdijk doet dit meestal niet en daarom zijn zijn personages, hoe merkwaardig ze soms ook zijn, realistischer dan veel personages uit romans van andere schrijvers.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten