dinsdag 10 maart 2026

Micha Peters – De Centrale


In 1932 richtte de Rotterdamse hoofdcommissaris Sirks De Centrale tot bestrijding van den smokkelhandel in verdovende middelen op. Het werd daarmee de eerste georganiseerde vorm van nationale drugsbestrijding. Micha Peters beschrijft deze narcoticabrigade die tot na de oorlog bleef bestaan, maar zijn boek gaat over allerlei onderwerpen die met drugs en drugsbestrijding te maken hebben, zoals de opiumhandel van de VOC, de Amerikaanse war on drugs, verslaafde dokters en apothekers, bendeoorlogen, de eerste Chinezen in Nederland en doping in de sport.Omdat hij zoveel onderwerpen behandelt en de titel van zijn boek de lading niet helemaal dekt, raakte ik soms de draad kwijt. Het is geen geschiedenis van drugsgebruik en -bestrijding in Nederland, daar is het te kort voor en ontbreken er belangrijke onderwerpen, met name de ontwikkelingen vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. Maar los hiervan las ik met plezier de verschillende hoofdstukken, die je ook als losse artikelen kunt zien. Hij legt daarbij goed uit wat het Nederlandse beleid uniek en tegelijkertijd dubbelzinnig maakt. 

 

Het nationale drugsbeleid tot een halve eeuw geleden was gericht op het voorkomen van het ontstaan van illegale handel en het tegengaan van de daarbij behorende criminalisering. Drugs werden legaal verstrekt via de medische weg en ook legaal geproduceerd. De staat handelde lange tijd zelf in drugs. Vanaf 1860 kon cocaïne voor het eerste op grote schaal geproduceerd worden. De NCF (Nederlandse Cocaïnefabriek) in Amsterdam was wereldwijd een van de grootste producenten; de fabriek sloot pas in 1962. Maar ver voor die tijd, in de zeventiende eeuw, maakte de VOC al enorme winsten met de productie en handel van het heulsap (opium) in Azië. Het gebruik van drugs werd zelden als een maatschappelijk probleem gezien. In de negentiende eeuw waren morfine, cocaïne, opium en later heroïne geneesmiddelen die pijn effectief konden bestrijden.

 

Het Amerikaanse beleid van repressie week sterk af van dat van Nederland en vooral van Engeland, waar druggerelateerde problemen als ziekten werden gezien. Interessant is dat de Amerikaanse houding tegenover drugs gestoeld is op racisme. Het gebruik van verschillende soorten drugs werd verbonden met Afro-Amerikanen of met Chinezen en het strenge beleid werd gebruik als stok om hen te slaan. Dat veel witte Amerikanen ook drugs gebruikten deed daar niets aan af.

 

Binnen het Nederlandse beleid is het ontstaan van De Centrale eigenlijk opvallend. Hoofdcommissaris Sirks wilde een veel strikter beleid dan nationaal gevoerd werd; hij zag problemen met drugsgebruik die anderen niet zagen en wilde niet alleen de handel maar ook de gebruiker hard aanpakken. Peters laat met een aantal spannende voorbeelden zien hoe knullig smokkelaars, maar ook de politiecorpsen soms te werk gingen. Een ‘dikke’ smokkelaar had een paar kilo coke onder zijn jas verstopt, maar agenten die deze handelaar op heterdaad wilden betrappen lieten zich eenvoudig foppen. Later werd er professioneler opgetreden en versterkte de dienst ook de internationale samenwerking.

 

Deze en andere verhalen zijn prachtig om te lezen, maar het boek van Micha Peters leert ook relativeren: drugsgebruik en -handel bestaan al eeuwen en zullen niet verdwijnen; en overheden waren niet altijd tegen drugs, vooral niet als er aan te verdienen viel. Toch vind ik zijn boek wat uit balans. De stukken over de VOC, het gebruik en de handel in de negentiende eeuw, de artsen en apothekers die ook van een snuifje hielden zijn goed; ik wilde er wel meer over lezen. Maar een los stukje over doping in de sport met als illustratie een verslaafde voetballer komt nogal uit de lucht vallen. Ook de biografische details (ruim twee pagina’s) over de opvolger van hoofdcommissaris Sirks zijn overbodig. De Centrale was gevestigd in Rotterdam, maar het boek gaat verder niet specifiek over deze stad. In het voorwoord wordt als tweede belangrijke smokkelplaats Brabant genoemd, maar deze provincie komt later in het boek maar heel even voorbij. Dit soort missers, die met een betere eindredactie voorkomen hadden kunnen worden, zijn jammer maar maken het boek niet minder leesbaar.

Geen opmerkingen: