dinsdag 31 maart 2026

Gerard Groeneveld – Tante Bertha


Journalist Gerard Groeneveld is een kenner van de Tweede Wereldoorlog en schreef eerder over collaboratie. Hij werkte onder meer voor NRC en de Volkskrant. In Tante Bertha draait het om één persoon, de zogenaamde Rotterdamse verzetsmoeder Bertha van der Hof-Kooyman, maar Groeneveld schetst de context van haar dubieuze praktijken aan de hand van diverse verzetsgroepen en mensen die haar om hulp vroegen. Het boek is geen biografie, maar laat wel goed zien hoe verzet, verraad en crimineel gedrag soms dicht bij elkaar lagen.

Door de titel en de verwachting een verhaal over deze tante Bertha te gaan lezen was ik op het verkeerde been gezet. Zij is de centrale figuur in het boek en haar huis aan de Mecklenburglaan 2 was een adres waar verzetsmensen, joodse vluchtelingen en verdachte figuren aanklopten. De tegenstellingen in haar gedrag en het overschrijden van de grens tussen verzet en verraad lijken haar een boeiende persoonlijkheid te maken, maar de schrijver waagt zich niet aan duiding hiervan. Zijn woord vooraf besluit hij met de opmerking dat hij een epiloog achterwege laat omdat het verhaal voor zichzelf spreekt. Volgens mij doet dat het juist niet, dieper graven in haar persoonlijke leven, door bijvoorbeeld familieleden, buurtbewoners en kennissen te spreken te krijgen, had het verhaal aantrekkelijker gemaakt.

 

Bertha werd geboren in 1897 en groeide op in een middenstandsgezin, waarvan de vader was vertrokken naar de Verenigde Staten. Ze volgde alleen lagere school, was de jongste in het gezin, maar nam wel de beslissingen. Ze leerde zichzelf het vak van coupeuse aan en in 1923 ontmoeten zij Anton van der Hof, een wat mislukte avonturier en zakenman, en trouwde met hem. Zij werkten hard, kregen zeven kinderen en zetten een lucratieve draadstaalfabriek op. Adriaan van Amerongen, een zakenrelatie, noemde haar een zeer gewiekste vrouw en in feite de baas was van het bedrijf. 

 

Dit gewiekste in haar karakter, je kunt het opportunisme noemen, lijkt vanaf het begin van de bezetting aan haar te kleven. Bertha toont zich direct Oranjegezind en oogst tot haar grote genoegen daar veel lof mee. Via Van Amerongen komen Anton en Bertha in contact met een groep illegalen die via radio contact met de Engelsen probeert te krijgen en hiermee een netwerk wil opzetten om boodschappen door te geven. De organisatie is vrij amateuristisch - goede bedoelingen, weinig effect - en wordt geïnfiltreerd door verraders, waarna er mensen worden opgepakt. Bertha blijft buiten schot. Later wordt zij benaderd om Joden te helpen Nederland te ontvluchten. Zij zegt hulp toe, stelt zich op als tussenpersoon en neemt grote sommen geld in bewaring. De vluchtelingen worden later grotendeels opgepakt en op transport gezet. Groeneveld beschrijft deze gebeurtenissen heel exact aan de hand van bronnen die bekend zijn. Het verhaal is daarmee nooit helemaal rond en daarmee laat hij goed zien hoe lastig het is een betrouwbare reconstructie te maken.

 

Het wordt de lezer langzaamaan wel duidelijk dat Bertha’s rol niet helemaal zuiver was. Het gezin bleek opeens over grote sommen geld te beschikken en verhuisden van Hillevliet naar de Mecklenburglaan 2 in Kralingen, een pand dat eerder geconfisqueerd was door de Wehrmacht en bewoond werd door Duitsers. Zij slaagden er toch in het huis te machtigen, mede door de daadkracht van Bertha, maar zakelijke belangen van de fabriek van Anton, hij leverde aan de bezetter, zullen wellicht ook een rol hebben gespeeld. Wat bezoekers ook opviel was dat de familie het nieuwe huis vol liet zetten met dure meubels en kunst. Later in de oorlog verkregen zij nog een tweede huis in Kralingen, waarvan Bertha na de bevrijding ontkende dat zij wist dat het Joods bezit was.

 

Groeneveld beschrijft in een aantal hoofdstukken de acties van Rotterdamse verzets- en knokploegen. Hij heeft de neiging om zaken in detail uiteen te zetten, waarbij hij een wat zakelijke, soms saaie manier van vertellen heeft. Dat is niet altijd erg, maar als de acties verder niets met Bertha te maken hebben, is het belang ervan niet altijd duidelijk. Hij geeft wel een goed beeld van het georganiseerde verzet in Rotterdam, dat heel efficiënt te werk ging en vele liquidaties uitvoerde.

 

De tweeslachtigheid in het gedrag van Bertha wordt weer zichtbaar als het gaat om uitdelen van geroofde voedselbonnen, die in haar bezit kwamen. Het gezin profiteerde hiervan, maar tijdens de hongerwinter deelde zij ook soep uit en toonde zich royaal. Daarbij pochte ze over de aantallen mensen die zij hielp. Van zichzelf vond zij dat zij aan de goede kant stond en niets fout had gedaan. Ze kreeg zelfs na de oorlog een eerbetoon voor haar werk in het verzet, maar al gauw rezen er vragen en werd er een onderzoek ingesteld. 

 

Een van de wrangste passages in het boek is het verhaal van Lion Praaga; hij zat ondergedoken en overleefde de oorlog, terwijl zijn broer samen met andere joden was verraden. Volgend Lion had Bertha hier de hand in. Hij deed aangifte, maar werd later door politiemannen bedreigd om zijn aangifte in te trekken. Dit waren mannen die geloofde in de onschuld van Bertha of - wat meer voor de hand ligt - op een of andere manier solidair met haar waren en zelf buiten schot wilden blijven. In dit verhaal wordt ook duidelijk dat Anton, net als zijn broer een overtuigd antisemiet was. Lion vreesde ondertussen voor zijn leven, maar dankzij doorzettingsvermogen van een aantal andere politieagenten kon er een onderzoek opgezet worden en werd Bertha uiteindelijk gearresteerd en voorgeleid.

 

Bertha was natuurlijk zeer verbolgen over de arrestatie. Of zij toneel speelde of echt in haar onschuld geloofde valt niet meer uit te maken. In een psychiatrisch rapport uit 1948 werd haar een buitengewoon levendige fantasie en een narcistische instelling toegeschreven. De waarheid was voor haar een zeer vaag begrip. Over haar persoonlijkheid had ik graag meer gelezen in dit boek. Helaas staat Groeneveld maar kort stil bij de periode tot aan haar dood in 1979. Ik blijf benieuwd naar wat kennissen, buren, mogelijk familieleden over haar te zeggen zouden hebben, maar de focus in dit boek lag daar niet op.

Geen opmerkingen: