maandag 30 maart 2026

Szczepan Twardoch - Deemoed


In Polen is Szczepan Twardoch een veelgelezen auteur. Hij won diverse prijzen zoals de Nike-publieksprijs en zijn werk is in vele talen vertaald. Eerder verschenen er twee romans van hem in het Nederlands: De Koningen Het zwarte koninkrijk. Charlotte Pothuizen vertaalde beide boeken en verzorgde ook de prachtige vertaling van Deemoed. Het verhaal draait om een frontsoldaat die na de Eerste Wereldoorlog door politiek-maatschappelijke krachten wordt verscheurd. Het is vooral de manier van vertellen - opzwepend, zonder een moment van rust, soms bijna extatisch - die maakt dat je het boek maar moeilijk kunt wegleggen.  

Alojzy Pokora komt uit Silezië, vocht jaren aan het front totdat hij in 1918 wakker wordt in het ziekenhuis in Berlijn en hoort dat de oorlog voorbij is. Zowel in Berlijn als in Silezië gaat de strijd verder, hij kan niet kiezen bij welke groepering hij zich moet aansluiten. Eigenlijk voelt hij zich nergens thuis en wil hij met rust gelaten worden, maar er is ook een mysterieuze vrouw, Agnes. Hij blijft het hele boek aan haar terugdenken en naar haar verlangen. Eigenlijk richt hij zijn verhaal tot haar. 

 

Nog half versuft door zijn verwondingen verlaat hij het ziekenhuis en zwerft over straat. Hij denkt in vlagen terug aan vroeger en zo krijg je een beeld van zijn achtergrond. Alois, zoals hij wordt genoemd, groeide op in een mijnwerkersdorp in Silezië. Er was weinig geld voor kleding of voedsel in het grote gezin. Alois kon goed leren en een pastor uit het dorp ontfermde zich over hem en zorgde dat hij kon doorleren. Zo ontsnapte hij aan de armoede, maar iedereen zag meteen zijn afkomst. Op school werd hij continu gepest en mishandeld. Hij leefde in voortdurende angst. Gelukkig werd hij zo nu en dan beschermd door een rijke jongeman, maar hij begreep niet waaraan hij deze hulp verdiend had. Na de oorlog komt hij hem weer tegen.

 

De angst waarin hij leefde op school, voelde hij natuurlijk ook de jaren dat hij vocht in de loopgraven. En nu hij door Berlijn strompelt overvalt hem weer die angst. Het is zeer onveilig in Berlijn en hij heeft geen geld of plek om heen te gaan. In zijn uniformjas en met een IJzeren Kruis op zak voor getoonde moed is hij veilig bij de keizersgezinde troepen, maar hij lijkt zich meer thuis te voelen bij de Spartakisten. Vooral als het doel helder is en er strijd geleverd moet worden. Maar in feite valt hij overal buiten en is zijn communisme ook maar een toevallige keuze. Later komt hij terecht bij andere groeperingen, hij ontsnapt aan een doodvonnis, slaat op de vlucht en bezoekt zijn geboortedorp. Er komen vele personages voorbij in het boek, maar nergens raak je het spoor bijster.

 

Twardoch laat via zijn hoofdpersoon heel mooi de chaos van die jaren na de Eerste Wereldoorlog zien. Er heerst anarchie en vele groeperingen voeren een verwarrende strijd. Hij komt net als zijn hoofdpersoon uit Silezië en hier was de situatie nog ingewikkelder dan in Berlijn. Het gebied zou of onder Duitsland of onder Polen moeten vallen. Na jaren van gevechten en verschillende referenda werd er een compromis bereikt. De verschillen zijn ook zichtbaar in de taal die men spreekt: Duits, Pools of Silezisch. Om maatschappelijk op te klimmen moest Alois voor de oorlog foutloos Duits leren spreken, maar zijn afkomst werd toch altijd doorzien. Hij wordt in het hele boek heen en weer geslingerd en wil eigenlijk niets meer met politiek te maken hebben. 

 

Deemoed is een boek dat zo vol zit met historische gegevens, dat het lastig is deze kort uiteen te zetten. Maar door de verbluffende stijl word je als lezer meegevoerd in de telkens wisselende situaties en in de angst, twijfel en eenzaamheid bij Alois. Je voelt via hem de maatschappelijke chaos en de energie die er heerste heel goed aan. Tot slot een lang citaat als voorbeeld van zijn prachtige stijl.

 

'In de kroeg is het vandaag druk, het gewoonlijke publiek, veel bekende gezichten, de heren Stauber en Galuschka zijn er, er zijn een paar magere beambten, die je niet met monocles ziet, de ellebogen van hun jasjes doorgesleten, in afgedragen broeken waar de knieën in staan. Er zijn ook een paar vrouwen, gewone, uit het volk, geen dames natuurlijk, dames zitten thuis achter slot en grendel, met de ramen dichtgetimmerd, en zijn bang dat mensen zoals wij - dat denk ik van mezelf, dat ik onderdeel ben van dat ‘wij’ - naar hun huizen zullen komen en hun zullen afnemen wat hun echtgenoten en vaders eeuwenlang van ons hebben geroofd. Ook de oude officier is er niet, die verontwaardigd naar me keek toen ik hier voor het eerst was, ik heb hem niet meer gezien, misschien is hij tot de conclusie gekomen dat aangezien het keizerrijk gestorven is, hij ook zal sterven en hangt hij nu in zijn galauniform met een kogelgat in zijn hoofd in zijn bureaustoel, wat ik hem van harte toewens. De wereld heeft mensen zoals hij niet meer nodig. Of de wereld iemand zoals ik nodig heeft, daar ben ik ook niet van overtuigd, maar wat deert het.'

Geen opmerkingen: