woensdag 1 augustus 2018

Lidewijde Paris – Hoe lees ik?


Ooit leerde ik op school wat literatuur was. Voor mijn middelbare schooltijd las ik veel, na die ellendige jaren pakte ik het lezen voorzichtig weer op. Tijdens de schooltijd werd mij het lezen grondig afgeleerd, mede door de literatuurlessen. Een boek moesten wij leerlingen volgens strakke richtlijnen analyseren. En wat een schrijver bedoelde was van het grootste belang. Gewoon een boek lezen voelde als een verbod. Deze lessen gingen gelijk op met het bestuderen van het meesterwerk Karel ende Elegast. Na drie maanden waren we toe aan een volgend boek, iets in hetzelfde genre, zeker geen Jan Wolkers.


Misschien is deze traumatische ervaring een reden geweest dat ik dit boek van Lidewijde Paris eerder links heb laten liggen. Een beetje flauw natuurlijk. In de loop der jaren heb ik veel boeken over literatuur gelezen. Niet alles in dit genre is saai. En ik heb over de schrijfster veel positieve verhalen gehoord. Vooral om haar enthousiasme wordt zij geroemd.

Dit enthousiasme weet Paris in ‘Hoe lees ik?’ uitstekend te koppelen aan begrippen uit het literatuuronderwijs. Zij kiest ervoor om zaken niet onnodig te versimpelen om hiermee het lezen toegankelijker te maken. Maar wil je een boek beter leren kennen en begrijpen wat een auteur doet dan heb je instrumenten nodig. Veel van deze begrippen zijn bij de gemiddelde lezer bekend: raamvertelling, vertelde tijd, alwetende verteller, spanningsboog. Paris legt ze helder uit.

Maar het mooiste in dit boek is het toepassen van deze instrumenten op veelal recente bekende literatuur. De schrijvers die zij hiervoor gebruikt zijn een uitstekende keuze: Olaf Olafsson, Julian Barnes, Philippe Claudel, Jens Christian Grøndahl, Haruki Murakami, om er enkelen te noemen. Het zijn schrijvers die wereldwijd bekend zijn en nog actief schrijven. De keuze is zo sterk omdat boeken van deze schrijvers zowel literair zijn als voor de meeste mensen makkelijk te lezen. Maar bij betere bestudering kun je er heel veel uit halen. Hiermee vergroot je je leesplezier. Zij gebruikt gelukkig ook een aantal Nederlandse auteurs, zoals Sanneke van Hassel en Rob van Essen, toevallig twee van mijn favoriete schrijvers.

Paris citeert uitvoerig uit hun werk, en gebruikt soms een heel verhaal van een schrijver. In het eerste deel van haar boek leidt zij de lezer rond langs alle begrippen. Later in het boek laat zij hen los: eerst het verhaal lezen, dan zelf aan de slag, dan pas verder lezen. Ik was blij verrast met het schitterende verhaal van T.C. Boyle, getiteld: ‘Chicxulub’. Zo moet je een verhaal schrijven! Ik zeg niks over de inhoud: lees het zelf en je bent een ervaring rijker.

Zij staat lang stil bij het begin van een boek en geeft mooie voorbeelden van eerste zinnen, zoals uit ‘Dat weet je niet’ van Grøndahl. In een eerste zin zegt een schrijver vaak al heel veel. Later vergeet je dit als lezer. Zij raadt daarom aan om - wanneer je een boek uit hebt – het begin nog even opnieuw te lezen. Een goed advies.

Na al deze lofzang, valt er dan op ‘Hoe lees ik?’ niets aan te merken? Op een paar plaatsen noemt Paris iets met zekerheid terwijl ik meteen dacht, dat klopt niet. De schrijver en de verteller van een roman staan los van elkaar. Wat de verteller zegt kan de auteur niet worden aangerekend. Dit heeft wel eens tot processen geleid. Paris schrijft: “de schrijvers hebben die rechtszaken altijd gewonnen.” Dit is niet juist. In de verhalenbundel ‘Seizoensarbeid’ van L.H. Wiener meende iemand zich te herkennen in een van de personages uit een verhaal. De rechter stelde de aanklager in het gelijk.

In een hoofdstuk over tijdsperspectief beweert Paris dat zij slechts één roman kent waarbij de held aan het begin van het boek ontwaakt: 1848 van Theun de Vries. Ik kan mij dat niet voorstellen en heb zelf een andere ervaring. Ik denk dat het redelijk vaak voorkomt. Meteen schoten mij twee titels te binnen: ‘De Adriaantjes’ van Lodewijk van Deyssel en natuurlijk ‘De avonden’ van Gerard Reve.

Een derde opmerking waarvan ik overeind schoot ging over het onderwerp ‘subliminal advertising’. Zij kleedt dit stuk aan met het verhaal dat tijdens een filmvertoning beelden van flesjes cola werden vertoond: zo kort dat de kijker het niet bewust opmerkte, maar dat er wel voor zorgde dat hij in de pauze een cola bestelde. Dit is een bekende mythe. In 1957 voerde James McDonald Vicary dit experiment uit, beweerde hij. Later gaf hij toe het verzonnen te hebben.

Dit zijn natuurlijk details, maar ik vind het toch leuk ze te noemen. Het enthousiasme om mensen anders te laten lezen en meer uit een boek te halen is de belangrijkste waarde van ‘Hoe lees ik?’ De keuze van de auteurs en de titels die zij gebruikt zijn erg goed. Ik zou het ook interessant vinden als zij een vervolg zou schrijven over het lezen van wat meer obscure, moeilijke boeken, met werk van bijvoorbeeld Perec, Hrabal, Coetzee en Ada van Nabokov en met als titel bijvoorbeeld: hoe lees ik bijzondere boeken?

Tot slot, haar nadruk op het bestuderen van het begin van een boek is heel zinvol. Ik doe dat te weinig. Net ben ik begonnen in een boek van de Russische schrijver Vladimir Makanin. De titel is ‘Underground of Een held van onze tijd’. Deze titel verwijst naar twee klassiekers uit de Russische literatuur: boeken van Dostojevski en Lermontov. In de eerste zinnen wil de verteller op zijn gemak een boek gaan lezen als de bel gaat. Het is de buurman die zijn hart komt uitstorten op deze dag dat zijn dochter is getrouwd. Het eerste hoofdstuk heet ‘Hij en zij’ en het boek dat de verteller aan het lezen was is van Heidegger: “geen Rus zou Heidegger lezen als Bibichins vertaling er niet was geweest!” Ik zal na het lezen van de bijna 600 pagina’s terugkijken op deze eerste zinnen met in mijn achterhoofd het boek van Lidewijde Paris.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten