donderdag 12 februari 2026

Pauline Slot - Een jaar met Simon


Pauline Slot las in één jaar in chronologische volgorde alle tweeënvijftig romans van Vestdijk. Ik ben met een vergelijkbaar project bezig – weliswaar niet in één jaar en in willekeurige volgorde – maar voelde verwantschap en wilde haar boek meteen lezen. Haar motieven om het te doen zijn persoonlijk; haar vader was overleden en zij zocht, zoals de achterflap meldt, houvast bij een oude leesliefde. Naast een leesavontuur is het boek ook een persoonlijk verhaal geworden. Met haar moeder gaat het steeds slechter en zij overlijdt aan het einde van het jaar. Maar het persoonlijke zit ook in de manier waarop zij omgaat met Vestdijk in dit ‘gearrangeerd huwelijk’.


In de tijd na haar vaders dood keek Pauline Slot online rond of zij de verzamelde romans van Vestdijk te koop zag staan. Ze zocht een vergeten schrijver die haar een nieuw begin kon geven. Op Catawiki deed ze een bod en in één klap was zij tweeënvijftig romans rijker. Pas toen kwam het idee op er een boek over te schrijven. In het eerste hoofdstuk vraagt zij zich hierbij allerlei dingen af, zoals of zijn werk niet verouderd is of dat het juist een tegengif biedt tegen online vluchtigheid. De romans zijn genummerd in de volgorde waarin Vestdijk ze geschreven heeft, niet wanneer zij zijn uitgegeven. De eerste roman is Kind tussen vier vrouwen, dat pas in 1972, na zijn dood verscheen. Goed is dat Slot niet vooruit kijkt. Ze leest ze stuk voor stuk en laat zich verrassen door wat er komt. Ze gaat de band met Vestdijk persoonlijk aan, ziet de onderneming als een ontmoeting, als het opbouwen van een band.

 

Kind tussen vier vrouwen is met 550 pagina’s dik en Slot verbaast zich terecht over de snelheid waarmee Vestdijk dit boek schreef, in vier maanden, wat zeker niet ongewoon is voor Vestdijk. Zij is meteen weg van het boek: ‘Toen ik speurde naar zijn verzamelde romans, moet ik vermoed hebben dat hij de man was die mij zou begrijpen. Het is of ik word neergelaten in het hoofd van een jongen in Harlingen aan het begin van de twintigste eeuw en daar alles aantref wat ik zelf ook ken. Wat ik zelf ook ben.’ Ik las hier meteen een gevaar, want als je je zo persoonlijk tot Vestdijk en zijn werk verhoudt - misschien zelfs ter vervanging van een weggevallen vaderfiguur - moet dat bij sommige romans wel mislopen. Een van de dingen die mijzelf aanspreekt in zijn werk is het amorele karakter ervan; er komt bijna geen aangenaam mens voor in zijn oeuvre en wat zij doen is vaak moreel zeer verwerpelijk. Ik denk dat Vestdijk er een duivels plezier in had om mensen zo onaangenaam mogelijk voor te stellen en hen soms hele rare, irrationale dingen te laten doen. 

 

De meeste oude romans leest Slot met veel plezier, maar het gaat mis bij de tiende, Rumeiland. Het verhaal speelt in de achttiende eeuw op Jamaica en het ingewikkelde verhaal speelt tegen de achtergrond van een door en door racistische samenleving. Dat het boek in de Engelse vertaling juist werd gezien als een antikoloniale roman doet niets af aan het gegeven dat de zwarte bevolking slechts als decor functioneert in dit vreemde verhaal. Slot kan haar weerzin niet verbloemen en besluit de roman niet verder uit te lezen. Het is de enige keer dat ze dit doet, maar vooral bij de latere romans wordt haar kritiek steeds luider. Dit heeft vooral te maken met de vrouwen in het werk van Vestdijk: veelvuldig worden vrouwelijke personages voor hoer of slet uitgemaakt, kamermeisjes zijn nooit veilig voor in huis wonende jongemannen en moord, verkrachting, incest en pedofiele zijn terugkerende gebeurtenissen in het werk van Vestdijk. Je kunt natuurlijk argumenteren dat het verzonnen personages zijn en juist door al die mannelijke wreedheden toont Vestdijk de rotheid van de man aan, maar als vrouwen consequent misbruikt worden in zijn romans dan zegt dat misschien ook iets over de schrijver. Vooral als je zoals Slot je zo persoonlijk verbindt met een auteur, dan kan dit hard aankomen. Overigens komen de mannen in het werk van Vestdijk er niet veel beter af; verknipte figuren, psychopaten en tragische jongens die er uiteindelijk maar zelf een eind aan maken bevolken zijn werk. Er komt feitelijk geen normaal mens in voor. 

 

In haar beoordelingen is Slot zeker niet vooringenomen. Ze leest een aantal vervelende romans, maar als iets goed is, benoemt zij dat ook voluit; ze schuift gelukkig niet meteen de hele Vestdijk aan de kant. De redding van Fré Bolderhey (de achttiende roman) vindt zij geweldig. Vestdijk zegt over de hoofdpersoon dat zijn wil ziek is. Slot maakt direct een persoonlijk bruggetje: ‘Al onze willen waren ziek, in ons gezin. Ik wilde niets liever dan mijn hoofd op iemands schouder leggen en daar een bodem voelen.’ Zij legt vaker dergelijke verbanden en betrekt daar ook haar eigen schrijverschap in. Soms gaat ze verder en geeft ze Simon weerwoord Op afbetaling (nummer 25) en De schandalen (nummer 26) vindt zij twee ongeloofwaardige romans en ze vraagt zich af waarom deze boeken überhaupt uitgegeven zijn in deze vorm. Was er geen redacteur bij betrokken, vraagt zij zich af.

 

Ondanks de mooie woorden voor een groot aantal boeken blijft haar belangrijkste kritiekpunt het seksisme van Vestdijk, maar ook hierbij reflecteert zij op haar eigen oordelen. Zo vraagt zij zich af of het kan, een fenomenale roman met karikaturale vrouwelijke personages: De Vuuraanbidders (nummer 15). Zij is verbaasd als blijkt dat Vestdijk het wel kan, genuanceerde, geloofwaardige vrouwelijke personages neerzetten, nota bene in een verhaal over lesbische liefde: Een Alpenroman (nummer 38). Haar liefde - of bewondering - voor Vestdijk wisselt. Ze zocht warmte bij hem, maar dat viel tegen. Dat is toch het vreemde aan de hele onderneming. Het lijkt mij dat zij na een aantal romans wel door moet hebben dat warmte wel het laatste is dat Vestdijk te bieden heeft en toch blijft zij hem stug op dezelfde manier benaderen. En dan begrijp ik dat iedere mindere roman met seksistische clichés weer een klap in het gezicht is.

 

Een jaar met Simon is veel meer dan een leesverslag. Slot verhaalt tussen het lezen door over haar vele reisjes. Ze is voortdurend onderweg: naar Frankrijk, Griekenland of naar de Eifel waar zij een huisje heeft in de buurt van haar goede vriend Gerbrand Bakker. Maar vooral schrijft zij over het verlies van haar vader en tegen het einde van het boek over de naderde dood van haar moeder; het zijn ontroerend mooie scènes. Maar eigenlijk zijn het twee boeken in één die in de eerste helft uitstekend combineren, maar die later steeds meer knellen. Slot stapt af en toe uit het dagboek en bekend dan dat zij stukken pas later schreef en verweefde met de bezoekjes aan haar moeder. Dat is natuurlijk geen bezwaar, maar ik merkte het wel tijdens het lezen. De groeiende afkeer van bepaalde thema’s uit het werk van Vestdijk zullen die afstand tussen privé en lezen verder hebben vergroot. Hoewel Een jaar met Simon meer dan vierhonderd pagina’s telt verlangde ik ernaar meer te lezen over haar leven en haar ouders, maar meer analyses van romans van Vestdijk hadden ook gemogen. Zo lijkt het een bijna onmogelijk boek, dat ik toch met heel veel plezier heb gelezen. 

 

Tot slot is er wel één ding dat mij tot het eind toe bezighield. Aan het begin van het jaar heeft zij een geadopteerd hond, Leentje geheten. Zij gaat veel met haar wandelen, maar het is nogal een brutaal beest dat opspringt tegen mensen. Op een gegeven moment besluit zij afstand van haar te doen en ze vindt een gezin dat verhuist naar Zweden waar Leentje alle ruimte heeft. Toch verbaast het mij dat zij een hond met wat problemen afstaat; het is geen beslissing die je zomaar neemt, maar zij zegt er weinig over. Eerder schreef zij in De hond als medemens prachtig over haar onvoorwaardelijke liefde voor Molly; ik hoop dat zij ooit over Leentje een boek schrijft. 

Geen opmerkingen: