maandag 8 mei 2017

Peter Brusse – Onder de mensen

De ondertitel van deze biografie van de vader van Peter Brusse is: ‘M.J. Brusse (1873-1941) journalist’. Als iets duidelijk wordt uit het boek is dat Rie - zoals zijn voornaam luidde – een journalist was, en een vernieuwend journalist. Hij schreef sociale reportages over mensen waar voorheen niet over werd geschreven: arme kinderen, misdadigers, havenarbeiders. En hij schreef op een literaire manier, beeldend en inlevend.


In het prachtige voorwoord schrijft Peter Brusse dat dit geen gewone biografie is. Het is een zoektocht naar zijn vader die hij nauwelijks heeft gekend: “ik ben aan het werk gegaan, ik wilde mijn vader eindelijk leren kennen.” Even verder schrijft hij dat zijn speurtocht niet helemaal vrij is gebleven van eigen kleur en klank.

Peter Brusse is het een na jongste kind van zeven broers. Zijn vader is drie keer getrouwd geweest. Hij werd dertig jaar na zijn oudste broer Henk geboren. Henk was ook ouder dan Peters moeder. Zij hertrouwde en nam een andere naam aan. Peter groeide met zijn broer Mark op in Nijmegen, ver weg van Schoorl, waar zijn vader de laatste jaren van zijn leven doorbracht en ook ver weg van Rotterdam waar zijn vader lang had gewerkt. Peter had het goed in het gezin. “Toch knaagde er iets, alsof ik er niet echt bij hoorde.”

Rie werd geboren in 1873 in de Jordaan. Hij werd vernoemd naar zijn grootmoeder. Hij had een meisje moeten zijn. Rie was een volksjongen, maar ging wel naar de HBS. Na het behalen van zijn diploma koos hij ervoor journalist te worden. Dat was hoogst ongebruikelijk. Zijn leraar Nederlands vond het brutaal.

Rie kwam op aanbeveling terecht bij het links-liberale dagblad ‘De Amsterdammer’ en kreeg na enige tijd de kans om reportages te maken. Hij vond snel zijn eigen stijl: de literair sociale reportage. Hij werkte later nog enige tijd bij de Telegraaf voordat hij de overstap maakte naar Rotterdam, waar hij meer dan veertig jaar zijn stukken zou schrijven voor De ‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’.

Op kantoor zat hij niet graag. Liever trok hij erop uit, soms vermomd als bijvoorbeeld landloper om zijn onderwerp van binnenuit te leren kennen. Zijn vaste rubriek heette ’Onder de Menschen’. Daar was hij het liefst.

Over deze beginperiode schrijft Peter Brusse over de perikelen rond krantenredacties, zoals de felle strijd tussen ‘De Amsterdammer’ en het ‘Algemeen Handelsblad’. Ook laat hij mooi zien hoe anders het journalistenwerk was zonder moderne communicatiemiddelen. Een reis naar de andere kant van het land duurde dagen. Koeriers moesten vanaf de nieuwsplek de aantekeningen zo snel mogelijk naar de redacties brengen om uitgetypt te worden. En toen Rie bij de NRC ging werken was er op de zolder aan de Witte de Withstraat nog een duiventil. Voordat er een rechtstreekse verbinding was met het telegraafkantoor werd nog niet zo lang geleden van hieruit berichten verzonden met de duivenpost.

Toen Rie eenmaal zijn draai bij de NRC had gevonden vertoonde zijn werk een duidelijke regelmaat. Hij schreef tweemaal per week zijn ‘Onder de Menschen’. Om inspiratie op te doen trok hij erop uit. Van elk onderwerp waar hij zich langere tijd mee bezig hield verscheen een boek, uitgegeven bij de uitgeverij van zijn twee broers Willy en Jo.

Een van de onderwerpen waar Rie zich bezorgd om maakte was de situatie in De Polder. Deze buurt op de plek van het huidige stadhuis was een poel van verderf. Arme mensen leefden er dicht opeen, zonder sanitaire voorzieningen. Kinderen zwierven op straat, bedelend, stelend en zich prostituerend. De Zandstraat was de belangrijkste straat in De Polder. Het gebied had vele kroegjes en bordelen en werd gezien als een spannende uitgaansbuurt. Rie had er een zwak voor en zag naast de ellende ook de positieve kant. “Daar zag je het echte leven, daar hoorde je de echte verhalen.”

Brusse wilde met zijn stukken, die uiteindelijk pas in 1912 in boekvorm verschenen, de aandacht vestigen op de wantoestanden in De Polder. De werktitel was eerst ‘Godsdienst in de Zandstraat’. Hij vroeg Minister-president Kuyper om het voorwoord te schrijven.

“Het werd een gedenkwaardige middag. ‘Zonder zweem van retoriek of dierbare zalving’ sprak de stoere christenleider over de zending in de havensteden, de zeelui en de prostitutie, en ‘terloops kreeg ik een college over pornografie waarover hij een studie had gemaakt’. Kuyper, zo bleek later, had daarvoor bezoeken gebracht aan bordelen en prostituees in Brussel. ‘Nee, in de bekering van gevallen vrouwen had hij geen enkel vertrouwen meer, dat had hem de ervaring geleerd.”

De grote doorbraak voor Rie Brusse kwam met Boefje. Ook voor dit boek vormde de basis zijn stukken in de krant. Boefje bestond echt. Hij ontfermde zich over de jonge crimineel. Hij hielp hem om op het rechte pad te komen. En hij was enorm geïnteresseerd in zijn belevenissen. Boefje is later vooral gezien als een literair kinderboek, maar het was net als het meeste andere werk van Brusse een literair sociale reportage. Esmeralda Meeder, door Peter Brusse aangehaald, had dit eerder in een studie vastgesteld. Boefje was zelfs, in vergelijking met Pietje Bell, Kruimeltje en Ciske de Rat het meest waarheidsgetrouw.

De manier waarop Rie zijn journalistieke werk uitvoerde was uniek. Hij zou later schrijven over de dorpen Marken en Volendam. Hij zou schrijven over het koningshuis en over de Eerste Wereldoorlog. Zijn hart lag bij de verschoppelingen in de maatschappij. Opmerkelijk is dat zijn nieuwe werkwijze nauwelijks navolgers kende. Hij kreeg naast veel lof ook kritiek. Er werd zelfs eens gesuggereerd dat hij de boel belazerde en dat hij er helemaal niet als landloper op uit getrokken was.

Peter Brusse pareert deze aantijgingen. Er is geen grond voor. Hij gaat echter niet dieper in op de verhouding literaire vrijheid en waarheidsgetrouwheid in de stukken van zijn vader. Dat is jammer. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog werd Rie Brusse meer en meer gezien als een wereldverbeteraar en als iemand die misstanden kon aankaarten. Hij werd veelvuldig gevraagd voor comités. Hem werd gezag toegekend. Hij kon zijn stem laten horen. Socialisten en communisten bekeken hem sceptisch. Rie was geen revolutionair. Hij was geen leider of strijder. Zijn passie lag elders. “Hij wilde waarnemen, wikken en wegen, zich inleven met hart en ziel.”

Na de Eerste Wereldoorlog ging het minder goed met hem. Hij had rust nodig, trok zich terug uit de stad. Hij bleef soms maanden in zijn vakantieoord bij Elspeet. Hij was inmiddels gescheiden van zijn eerste vrouw en getrouwd met de jongere Antje. Het duurde jaren voordat Rie weer de oude was, en helemaal dezelfde is hij nooit geworden. Ik vroeg mij wel af waar hij van leefde, al die tijd op de Veluwe. De opbrengsten van zijn boeken deelde hij met zijn twee broers. Kreeg hij doorbetaald door de NRC? Later zou hij door de krant opzij gezet worden en er met een bekaaid pensioen vanaf komen. In deze periode was de krant kennelijk wat royaler.

Eind jaren twintig wordt de NRC gemoderniseerd en krijgt een geïllustreerd bijblad.  Rie zoekt ook naar iets nieuws. Hij komt met een serie portretten van succesvolle personen. De interviews gaan niet over de actualiteit maar bieden een persoonlijk verhaal. Rie interviewt mensen als Anton Philips, Jan Sluijters en Abraham Tuschinski.

Peter Brusse bespreekt de interviews uitvoerig, net zoals hij de diverse onderwerpen uit ‘Onder de Menschen’ het hele boek door grondig bespreekt. Hier krijgt zijn behandeling echter iets te veel van een opsomming. Waarschijnlijk was er veel materiaal voorhanden en wilde hij benadrukken hoe bijzonder deze nieuwe reportagevorm was.

Beeldend beschrijft Peter Brusse hoe zijn vader werkte in het huis in Hillegersberg. “Ries werkkamer lag aan de achterkant van het huis, met zicht op de Plas. Daar schreef hij met zijn zwarte Swan-vulpen zijn verhalen; op smetteloos witte vellen papier uit zijn geliefde Raadhuis-schrijfblok. Iedereen moest dan stil zijn. ’s Winters brandde er een open kachel, waar hij, vertelde Jan eens, met zijn rug naar toe ging staan om zich te verwarmen als de zinnen niet lekker liepen. Dat hielp, met een warme rug vloeiden de woorden weer uit zijn pen.”

In de jaren dertig komt er een kentering in de waardering voor het werk van Rie Brusse. Zijn proza sloot niet aan bij de nieuwe zakelijkheid. Of dit meespeelde bij zijn voortijdig ontslag bij de NRC is niet duidelijk. De krant zat in zwaar weer vanwege de crisis en moest bezuinigen. Zijn wachtgeld was gelijk aan het pensioen. Dit was niet veel. Privé had zijn leven een nieuwe wending genomen. Hij was na de scheiding van zijn tweede vrouw plotseling getrouwd met de veel jongere Connie. Uit dit huwelijk werd in 1936 de auteur van dit boek geboren.

Het gezin verhuisde naar Schoorl. Rie had genoeg van Rotterdam. Eind jaren dertig ging de gezondheid van Rie achteruit. Op 5 januari 1941 stierf hij op zevenenzestigjarige leeftijd.


Peter Brusse heeft een schitterend portret van zijn vader geschreven. In zijn stijl is het beeldend en verhalend. Het leest vlot. Het boek is geen wetenschappelijk geschrift geworden, maar Peter Brusse heeft wel degelijk bronnenonderzoek gedaan en het werk van zijn vader grondig bestudeerd. Het is goed dat de erfenis van Rie Brusse bewaard blijft. Naast zijn bekendste werk Boefje heeft hij over tal van onderwerpen geschreven op een manier waarmee hij zich onderscheidde van zijn tijdgenoten. En veel van zijn stukken zijn nu nog altijd goed leesbaar.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten