zaterdag 23 augustus 2014

Herman Brusselmans – Poppy en Eddie

 

De laatste tien boeken van Brusselmans heb ik overgeslagen, maar deze, werd mij verteld, was meesterlijk. Poppy en Eddie staat bol van de grappen. Het verhaal is dun: Herman Brusselmans mist zijn ex Poppy, hij ontmoet wat andere vrouwen in cafés, drinkt Fanta en vertelt aan één stuk door onzin. Het zijn vooral flauwe taalgrappen en absurde wendingen, tientallen per pagina.


Het is wat met schrijvers. Driekwart is vervelender dan Jan Jaap van der Wal met een zuidwester op zn kop, en het vierde kwart is saaier dan prinses Claire op een vliegende bezem, en met zn allen schrijven ze slechtere boeken dan de buurman van Couperus, die eigenlijk een glasblazer was, tot hij ademhalingsmoeilijkheden kreeg na het opzuigen van het alvleeskliervocht van een boetseermerrie. Een fraai dier, daar niet van, maar gezond is anders. Vertel mij wat. Nou nou, Truus, wat je nou zegt. t Is me het een en ander, en de tussenweg is verdwenen. In Bolivia, daar zou ik niet eens willen wonen.

Nog een willekeurig citaat, over een volgend boek van de auteur: De roman is te experimenteel. Zo heten bijvoorbeeld alle personages anders dan oorspronkelijk was bedoeld, en komen er geen cloacas in voor, en eet de cameraman alleen gestold prulletjesvet, en zn moeder is een hoer. Dat wil de massa niet lezen, natuurlijk. Zon oude vrouw en toch een hoer. Dat doet de doorsneelezer te veel aan zn eigen moeder denken.

Brusselmans strooit nogal met bekende namen: Matthijs van Nieuwkerk, Lionel Rietsie, Martin Luther King, Carice van Houten, enzovoorts. Hij heeft een obsessie voor Carice ontwikkeld. Hij wil zich graag met haar lichamelijk verenigen om daarna te kunnen zeggen: Carice, dat was geen kattenpice.

Verheugend is dat de grote Rotterdamse schrijver A. Moonen wordt genoemd door Brusselmans. Probeer Zij gelooft in mij maar ns te interpreteren met alleen een cimbaal tot je beschikking , of zoals A. Moonen ooit zei: Ik heb geen gebit, dus ik moet de koekjes eerst soppen in mn jenever.

In het laatste hoofdstuk wordt de auteur wat rustiger en een tikje sentimenteel. Hij verlangt naar Poppy, zijn enige liefde. Zij heeft nu kanker, maar wordt weer beter. Hij geeft toe dat hij de vrouwen in de voorafgaande hoofdstukken verzonnen heeft, alleen Poppy is echt.

Om te besluiten citeer ik een van de weinige graploze zinnen in het boek, over zijn ontnuchtering: Je kunt maar beter nooit een café bezoeken, zeker als je nooit ladderzat bent. Ik was ladderzat van 1981 tot 1993, daarna hield het definitief op. Het ophouden met drinken heeft  mn sociale leven naar de knoppen geholpen. De kans dat je na zeven uur s avonds iemand ontmoet die even nuchter is als jij is zo goed als nul.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen