dinsdag 21 april 2026

J.J. Voskuil – Bevrijding. Dagboeken 1981-1987



Het zesde en op een na laatste deel van de dagboeken van Voskuil beslaat het tijdvak januari 1981 - juni 1987. Het zijn de laatste jaren dat hij op het Meertens Instituut werkte. In sommige periodes schreef hij veel en gedetailleerd, dan schreef hij weer maanden niets op. Ik deed er vrij lang over om dit deel van meer dan zevenhonderd pagina’s uit te lezen. Er gebeurt niet veel in het boek, maar dat is geen bezwaar, de eerdere delen staan ook niet vol met spannende avonturen. Wat mij ging tegenstaan waren de herhalingen, de eindeloze ruzies met Lousje en zijn constante ergernissen. Ik werd Voskuil een beetje zat. Dat zal mij er overigens niet van weerhouden het volgende deel meteen na verschijning aan te schaffen.

Dit zijn de laatste jaren op het bureau, maar Voskuil schrijft er steeds minder over. Er zijn natuurlijk irritaties op het werk en hij is nog minder geliefd dan hij al was, maar hij lijkt er zich bij neergelegd te hebben. Het einde is tenslotte in zicht. De opvolging van zijn leidinggevend Blok levert enorme frustraties op, maar hij beseft dat hij slechts een pion is in een groot schaakspel. Hij heeft er weinig over te zeggen en heeft nog maar een enkele collega die hem steunt. Het zwaartepunt in dit dagboek ligt bij de relatie met zijn vrouw Lousje. De ruzies die zij hebben zijn echt buitenproportioneel, althans dat is zoals Voskuil ze beschrijft. Je weet niet hoe Lousje er zelf tegeneen keek. 

 

In deze jaren komen zij meer en meer alleen te staan: contact met familie is er nauwelijks, Bert Weijde en de moeder van Lousje komen te overlijden en Frida wordt beschreven als een vijandig element. Ze hebben op een dag met haar afgesproken: ‘Frida staat in de hal van het station, bleek, schuw en een beetje gebogen.’ Dan volgt een samenvatting van de dag: ’Ze betaalt niets. Er gaat geen enkele hartelijkheid van haar uit. Ze wacht af wat er gezegd wordt, beaamt dat, overtroeft het vervolgens met sterke verhalen, en laat zich trakteren. Zo is het al twintig jaar. Het ergert ons, maar je kunt er niets van zeggen.’ Waarom eigenlijk niet, vraag je je af? En toch blijven Lousje en Han haar zien, waarom dan toch?

 

Geregeld lees je hoe hij worstelt met zijn dagboek. Hij peinst over wat hij wel en wat hij niet moet noteren: wat is belangrijk en wat niet? ‘Een bezwaar tegen het noteren van de lopende gebeurtenissen over een hele dag is dat je de ingewikkelde gevoelens weglaat omdat ze te veel ophouden. Er moet een andere formule gevonden worden.’ Deze vindt hij niet, en soms vraag je je af wat hij allemaal weglaat aan gedachten en gevoelens. In een voetnoot op pagina 402 lees je dat hij een buitenechtelijk relatie had met ene X. Nergens in de tekst lees je hier iets over. De tot in detail beschreven uitstapjes met Lousje kun je ook lezen als een excuus om maar niet over X. te hoeven schrijven.

 

Een bijzondere gebeurtenis in deze jaren is de heruitgave van zijn debuut Bij nader inzien. Het is een groot succes en Voskuil wordt meerdere keren geïnterviewd. Dit levert problematische situaties op over het opnemen en kopiëren van de interviews die bij hem thuis worden afgenomen en het beslissen welke foto’s er bij geplaatst moeten worden. Zij hebben veel contact met hun buren: een homostel waar Lousje dol op is omdat zij hen beschouwt als underdogs, Voskuil heeft minder sympathie met het stel. Een van hen is fotograaf en maakt foto’s van hem voor een interview; de redactie stuurt echter liever een eigen fotograaf. Uiteraard weer een bron voor vele echtelijke ruzies. De verwijten van Lousje zijn soms wat onrealistisch: ‘Ik ben getrouwd met een man dei samen met mij tegen de maatschappij was en die ging ineens zijn tijd aan een baan besteden in plaats van aan mij.’ Voskuil concludeert elders dat een gesprek met L. altijd een gevecht is. Een enkele keer ziet hij haar zonder dat zij hem ziet. ‘Zoals ze loopt, de straat oversteekt, bij de groenteboer naar binnen gaat, maakt ze een geïsoleerde indruk, een klein mens op zichzelf, in een wereld van anderen. Dat ontroert me.’

 

Leuk aan deze periode vond ik dat er steeds meer namen opduiken van mensen die ik heb gekend, bijvoorbeeld historicus Willem Frijhoff. Verder zijn de noten weer heerlijk uitgebreid: zo lees je dat Voskuil zeven langspeelplaten van Louis Armstrong bezat, waarna de titels staan opgesomd. Tot slot nog een aardige observatie: in 1984 droeg tijdens Koninginnedag in Amsterdam nog bijna niemand oranje. Dat is nu wel anders.

 

Uiteindelijk ziet Voskuil in dat je als mens geheel op jezelf bent aangewezen. Met Lousje vormt hij een laatste bolwerk tegen de vijandige maatschappij, maar zijn vrienden zijn allemaal afgevallen. Hij voelt zich overal bedreigd en op straat ziet hij zich omringd door misdadigers. Vergeleken met vroeger voelt het dat het leven zijn glans heeft verloren. ‘En vervolgens kom ik steeds opnieuw tot de slotsom dat het verschil is dat ik geen grien geloof meer heb in de beheersbaarheid van de mens en de maakbaarheid van het leven.’

Geen opmerkingen: