vrijdag 30 januari 2026

Olga Tokarczuk – De Jacobsboeken


Het lezen van de Nederlandse versie van Księgi Jakubowe is een uitdaging waar ik enkele maanden over heb gedaan. Dat het boek meer dan negenhonderd pagina’s dik is, is niet de enige reden dat het een werk is waar je de tijd voor moet nemen. Het verhaal gaat over het leven van de zelfbenoemde messias Jacob Frank (1726-1791) en zijn volgelingen, maar het verhaal is universeel en je kunt eenvoudig parallellen trekken met onze tijd. Het boek is zowel fictie als non-fictie, het gaat over geschiedenis, filosofie, ideologie, menselijke verhoudingen, familie, oorlog, liefde en dood. Daarbij houdt Tokarczuk ervan om dingen - ideeën, gewoonten, tradities - om te keren en heeft zij een speciaal oog voor grensgevallen. Het werk is opgedeeld in zeven boeken, het bevat afbeeldingen, citaten in diverse talen en een uitgebreide verklarende woordenlijst. Księgi Jakubowe is uit 2014, de Nederlandse vertaling van Karel Lesman werd in 2019 uitgebracht. Ik vermoed dat dit een van zijn grootste vertaalprojecten is geweest. 

Ook bijzonder aan de opzet van het werk is de paginanummering; deze is omgekeerd, dus de proloog begint op pagina 914. Tokarczuk schrijft hierover: ‘De in dit boek gehanteerde afwijkende paginanummering is een eerbetoon aan de in het Hebreeuws geschreven boeken en ook een herinnering aan het feit dat elke volgorde een kwestie van gewenning is.’ De levensgeschiedenis van Jacob Frank wordt wel chronologisch verteld, maar vanuit diverse perspectieven en verhaallijnen. In de lange ondertitel van De Jacobsboeken staat dat deze grote reis wordt verteld door de doden, weliswaar ook door de auteur en vooral door ‘de imaginatie, die de grootste natuurlijke gave is van de mens.’

 

De mozaïekvertelling lijkt iets van tijdloosheid hebben. Een van de vertelsters is Jente, een oude vrouw die vroeg in het boek sterft, maar toch niet dood is. Zij zweeft over het land, ziet alles en doet hier door het hele boek heen verslag van. Zij leeft buiten de tijd, een concept waar Jacob zelf in discussies over het hiernamaals en het eeuwige leven vaak naar verwijst. Zo zijn er meer zaken binnen het verhaal die parallel lopen met de manier van vertellen en de opzet van het boek. De meeste tekst staat in de tegenwoordige tijd, maar wanneer Jente aan het woord is spreekt zij in de verleden tijd. De zeven boeken zijn ingedeeld in vele paragrafen, met titels die wat ouderwets en encyclopedisch ogen:’ Over Jacobs dans, Over de verschrikkelijke gevolgen van het verdwijnen van een amulet, Over de juiste proporties, Het verhaal over de twee tafelen of Waar de Zohar over spreekt.’

 

In het eerste boek lijkt Jacob een bijfiguur en lees je over vele personages die later in het verhaal terugkeren, of niet. Wat het lezen lastig maakt is naast de grote hoeveelheid figuren die in het boek voorkomen, die bovendien vaak verhuizen en geregeld van naam veranderen, is de wat ik zal noemen nevenschikking van de paragrafen. Er wordt in een paragraaf een verhaal verteld over bijvoorbeeld het gezinsgeluk van Aszer, over vergoten bloed en hongerige bloedzuigers of over het huwelijk van Moszo Dobruška, een volgende paragraaf kan dan gaan over het formaat van de mutsjes die Armeense burgervrouwen dragen en die anders zijn dan de Poolse vrouwen dragen. De verhaallijn uit de ene paragraaf wordt zonder aankondiging gestopt en in de volgende wordt weer een ander personage gevolgd; er hoeft geen direct verband te zijn tussen de twee verhalen. Uiteindelijke keren personages en gebeurtenissen terug, maar niet altijd. De verteller kan uitvoerig stilstaan bij bepaalde details, die verderop geen rol meer lijken te spelen. 

 

In deze nevenschikking lijkt alles ook even belangrijk: een sterfgeval of verkrachting kan soms in één zin gemeld worden en heeft in de orde der dingen geen diepere betekenis dan het drinken van een kop koffie. Het levensverhaal van Jacob is eigenlijk de grote doorlopende verhaallijn, ernaast gebeuren er vele dingen en bewegen talloze personages om hem heen die allemaal van evenveel waarde zijn. Ik heb deze manier van vertellen waarbij je geregeld de draad kwijt bent, nooit ergens ander gelezen dan hier. Overigens legde ik mij er gewoon bij neer als in een nieuwe paragraaf iemand opdoek die al eerder een rol had gespeeld maar waarvan ik niet meer wist welke. Ik las gewoon maar door.

 

In het hele boek wordt er veel gediscussieerd. Jacob heeft charisma en overtuigingskracht en hij weet meer en meer mensen aan zich te binden met zijn filosofische en religieuze ideeën. Hij lijkt mensen te betoveren, die al gauw alles voor hem doen en hem overal volgen. Zo verhuizen ze naar een ander land en beginnen daar een kolonie met eigen wetten en gebruiken. Hij bepaalt hoe alles gebeurt en zelfs wie met wie het bed moet delen. Hij ontwikkelt zich steeds meer als een despoot. Hij wordt afwisselend gezien als een heilige of een poseur, maar in die dubbelrol voelt hij zich ook prettig. Voor zijn volgelingen moet het nooit duidelijk worden waar hij precies staat. Jacob zoekt vaak ruzie en gaat bewust in tegen bijvoorbeeld de spijswetten. Hij valt vaak zijn volgelingen zelf aan, om ze op de proef te stellen en om ze aan hem te binden. Vernederingen zijn daarin belangrijk, want: ’Wie bang is die heeft achting, zo is het nu eenmaal.’ Dat gaat soms heel ver; wanneer hij zich weer ergens heeft gevestigd komt er een nieuwe groep volgelingen bij hem langs. Hij gebiedt de jonge meisjes zich in het openbaar te ontkleden. Als volgeling moet je eerst diep door het stof om een ware gelovige te worden.

 

Jacob stelt als een ware messias zijn eigen wetten. Het is ook onderdeel van zijn filosofie, waarbij in de aanloop naar het einde der tijden alle regels omgekeerd moeten worden: ‘Dat wat tot nu toe verbod was, is niet alleen toegestaan maar zelfs een gebod.’ Zo moeten zondaars wetgevers worden en prijst hij boekverbrandingen aan. Deze omkeringen en vernederingen gelden ook voor hemzelf. ‘De Messias moet zo diep mogelijk vallen anders is het geen Messias.’ En: ‘Om hoger te gaan moet je zo diep mogelijk vallen.’ Zoals veel revolutionairen en charismatische leiders verkondigt hij dat eerst het oude moet worden vernietigd om het nieuwe te kunnen opbouwen. Dat hij daarmee mensen voortdurend beledigd en kleineert is juist goed in zijn ogen. Zo zegt hij op een bepaald moment dat stellen die lang bij elkaar zijn voortaan gescheiden moeten leven. Als mensen dan afhaken zijn ze ontmaskerd als vijanden en worden ze verstoten. Het zijn mechanismen die heel herkenbaar zijn binnen sektes, maar ook in bijvoorbeeld het communisme of bij fanatieke nationalisten: ben je niet geheel voor ons, dan ben je een vijand.

 

Het verhaal gaat ook over taal. Jacob reist veel. Met zijn hele gezelschap trekt hij naar het Osmaanse rijk, later keert hij terug naar de Poolse gebieden, het vestigt zich aan het eind van zijn leven in Oostenrijk-Hongarije en ondertussen woeden er oorlogen en verschuiven er grenzen. Hij spreekt onder meer Turks, Duits en Jiddisch en de vele volgelingen beheersen ook diverse talen. Als hij ergens aankomt moeten er vaak tolken ingezet worden om het gesprek voor iedereen begrijpelijk te houden. Tijdens een gesprek in verschillende talen stelt de verteller: ‘Uiteindelijk spreken ze een mengelmoesje, waarbij ze zich niet afvragen waar de woorden vandaan komen: woorden zijn geen adel waarvoor je een genealogische boom kunt opstellen. Woorden zijn kooplieden, snel en bruikbaar voor nu eens hier, dan weer daar.’ Zo is ook hoe Jacob tegen taal aankijkt, hij gebruikt de woorden zoals het hem uitkomt, los van de bestaande betekenis. Hij creëert er zijn eigen waarheid mee, die ook weer zo kan wisselen. Hij is eerst Joods, wordt een tijdje Islamiet, weliswaar met eigen regels, en roept tenslotte iedereen op zich te bekeren tot het katholieke geloof.

 

Het messianisme lees je in het hele boek terug; zo stelt hij dat hij nooit zal sterven en doet hij voorspellingen die per definitie moeten uitkomen. Het gaat dan niet om een controleerbare voorspelling, maar om iets dat door hem verkondigd wordt en dus waar moet zijn. Je vraagt je vaak af waarom zoveel mensen hem blijven volgen, ondanks de vernederingen. Dat ligt voor een deel aan zijn welbespraaktheid en zijn imposante uiterlijk. Hij weet mensen met zijn blik te hypnotiseren en te overtuigen. Dit is iets wat je vaker terugziet bij dictators, het is een onbevattelijk charisma. Ook interessant is zijn intelligentie. Als jongeling sprak hij nachtenlang met medestudenten en leraren. Hij was ze vaak te slim af. Het boek staat vol religieuze uiteenzettingen en er wordt overvloedig verwezen naar allerlei Joodse tradities en filosofieën, waar hij kritisch naar kijkt en mee aan de haal gaat. Later in zijn leven gaat het er veel platter en opzichtiger aan toe: hij is uit op kapitaal en roept voortdurend volgelingen op hem geld te geven voor zijn hofhouding. Tegenover vrouwen is hij enorm bruut: hij eist bedgenoten op, vaak jonge meisjes, maar verstoot ook zijn vrouw als hij genoeg van haar heeft. En dit alles overgoten met een religieuze saus. Jacob is een onuitstaanbare figuur, maar ik begrijp ook de fascinatie van de auteur voor deze hele bijzondere man. In grote lijnen volgt Tokarczuk zijn werkelijke levensloop. Hij had niet alleen volgelingen uit het gewone volk, maar bisschoppen, rijke adellieden en zelfs de Oostenrijkse keizer was van hem onder de indruk. Het lezen van De Jacobsboeken was en onvergelijkbare ervaring, maar ik kan mij heel goed voorstellen dat je ergens in het boek afhaakt. Ik las dat verschillende recensenten het boek te dik vonden; daar ben ik het niet me eens. De grondigheid en uitvoerigheid van het verhaal maken het juist uniek.

Geen opmerkingen: