Een grillig soort grind is de derde roman van Ine Boermans. De hoofdpersoon is opgegroeid in een klein dorp, in een gezin met een narcistische vader en een moeder die slechts bij zijn afwezigheid haar dochter van goedbedoelde wijze lessen kon voorzien, terwijl ze met een vriendin rum-cola’s achteroversloeg. Amelia is vooral op zichzelf aangewezen. Ze blikt terug op haar leven om er iets van te begrijpen.
Amelia is met haar gezin op vakantie. Het huisje op een Drents vakantiepark is vies, bovendien heeft zij een longontsteking opgelopen. Naar huis gaan is geen optie, want daar zitten nu Fransen die hun vakantie financieren. Terwijl het gezin vakantie viert denkt zij terug aan vroeger. Met haar vader heeft zij al jaren geen contact meer, hij woont in de buurt van waar zij nu is en zijn huis staat op Funda; Amelia bestudeert uitvoerig de foto’s en denkt terug aan haar jeugd. Ze ziet de lege Lundia-kasten; haar vader vond zichzelf een intellectueel en voelde zich ver verheven boven de dorpsgenoten, maar haar ouders lazen zelf geen boeken. Als kind kreeg zij wel regelmatig boeken voor haar verjaardag. Ze vroeg een cd van The Bangles en kreeg een boek. ‘Toen ik één roman uit had was ik al meer belezen dan mijn ouders. Ze lazen wel met veel vertoon de krant of een intellectueel opinieblad en daarna kregen ze ruzie. Maar verder lazen ze niks. Dat zie je terug op deze binnenimpressie. Deprimerende, halflege open kasten. Boekenkasten vol plakkerige vogelgidsen, oude administratie, flanellen blouses en grote katoenen onderbroeken, maar geen boeken.’
In bijna alles doet de vader precies het verkeerde van wat de dochter wil of nodig heeft. Hij koopt niet alleen de verkeerde cadeaus, maar komt afspraken niet na, liegt als het zo uitkomt en is altijd erg tevreden met zichzelf. Zij mag niet naar de school om hoek, waar haar vriendin Door ook heen gaat, maar moet naar een school ver weg in een andere gemeente, waar zij niemand kent. Wat vooral opvalt is dat wat hij predikt vaak niet strookt met hoe hij zelf leeft. Zo kijkt hij neer op mensen die in een goedkope auto rijden, maar heeft hij zelf een oud barrel. Hij geeft hoog op over het Westen, waar meer cultureel leven is, maar als zijn dochter er gaat studeren is dat ook weer niet goed. Zijn afschuw van de dorpelingen weerhoudt hem er niet van om bij bepaalde mensen uit de buurt juist in het gevlij te komen en zich te verdiepen in de lokale gebruiken.
De vader is kortom een uitgesproken narcist. Geen wonder dat zijn vrouw uiteindelijk bij hem weggaat. ‘Als je hem beledigde door hem niet geweldig te vinden, het centrum van het universum, een orakel, wijsgeer, dan viel dat even niet zo goed bij hem, omdat zijn ego gekrenkt was door mijn moeder. Hij had niet zien aankomen dat zij bij hem weg wilde. Hij was gekleineerd. Hij voelde zich getreiterd. Alles was persoonlijk bij deze man. De vierkante vijver van de buren, de mensen die hem met 106 inhaalden op honderdkilometerweg, mensen die niet lachen om zijn grappen. Of wel lachten maar niet op de goede manier. En als je van hem wilde scheiden nadat er jarenlang ongevraagd over je heen gelikt was, dan nam hij dat ook ontzettend persoonlijk op.’
Het verhaal draait vooral om deze vreselijke vader, maar natuurlijk is er ook de moederfiguur. Zij heeft twee gezichten; aan de ene kant staat zij achter de meningen van haar man, althans laat zij niet blijken het oneens met hem te zijn; aan de ander kant klaagt zij over hem tegenover haar dochter. Meestal komt zij in dronkenschap met goede raad, die er vooral op neer komt om niet te doen wat zij gedaan heeft. Meestal zijn het clichés, maar sommige adviezen zijn pijnlijk scherp. Haar vader geeft hoog op over krachtige dames zoals zijn eigen vrouw. ‘Laat je nooit dame noemen, Amelia, zei mijn moeder. En jij ook niet, Door. Laat ze je nooit wijsmaken dat jullie dames zijn. Het woord dame is niets meer dan een excuus om je te verheffen en daarna plat te trappen.’ Amelia heeft in haar latere leven moeite om zich niet te laten vertrappen en kruipt vaak weg in haar eigen hoekje. Niet voor niets noemt Boermans de kamers waar zij woont gangkasten. En ook tijdens haar studie op de kunstacademie zit Amelia het liefst urenlang in de doka met de deur dicht en de lichten uit.
Boermans geeft in de hele roman geen ruimte voor een zachte kant van de vaderfiguur. Zij laat daarmee goed zien waarom het contact met zijn dochter geheel verstoord is, maar het is ook wat eentonig. Zelf zijn dood doet Amelia niks. Ik had verwacht dat ze nog wel een lichtpuntje zou laten zien, maar dat bleef uit. De herhaaldelijke lompheden en egoïstische fratsen weet zij wel met veel humor te verwoorden. Zij schrijft net als in haar vorige twee boeken in korte zinnen, hier ligt haar kracht. Het enige minpunt vind ik dat zij het verhaal optuigt met een veelheid aan gebeurtenissen: Amelia verhuist een paar keer, gaat studeren en ontmoet haar man. Haar verhouding tot Door is interessant, maar er is ook een jonggestorven kindje dat natuurlijk invloed had op de ontwikkeling van het gezin. Deze gebeurtenissen en meer zijn meer dan louter decor. Ze beschrijft ze met aandacht, maar omdat het zoveel is, krijgt het weer niet genoeg aandacht. In feite zitten er elementen in het boek voor nog drie romans, en hopelijk komen die er ook.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten