De historische roman De nadagen van Pilatus is de zesde roman van Vestdijk en verscheen in 1938, een jaar na Het vijfde zegel, zijn eerste historische roman. De hoofdpersoon is Pontius Pilatus die net als de echte Pilatus in 36 na Christus, na zijn ontslag in Judea, naar Rome gaat, waar keizer Tiberius onlangs is overleden. Hij ontmoet er zijn opvolger Galigula, die interesse lijkt te hebben in de Nazareeërs en met name in Maria Magdalena. De bizarre gebeurtenissen die volgen zijn geheel ontsproten aan de fantasie van Vestdijk. Hij schept een uiterst wreed beeld van het Rome uit die tijd en vooral het gedrag van Galigula is onvoorstelbaar.
Het verhaal begint in Egypte, waar Pilatus in een opwelling een rijke Joodse koopman het leven redt. De man bedankt hem zeer. Bij toeval ontmoeten de twee elkaar weer op de boot die hen naar Rome brengt. De man is in gezelschap van een vrouw waar Pilatus door gefascineerd raakt. In Rome bezoekt hij de koopman die hem de vrouw cadeau geeft. Het is Maria Magdalena die gelooft dat Jezus niet aan het kruis is gestorven, maar nog in leven is. Al jaren is zij op zoek naar hem. De eerste christenen zijn ook in Rome actief. Ze vormen een duistere sekte. Pilatus wordt gevraagd hen toe te spreken omdat hij Jezus daadwerkelijk heeft gekend. Het idee is dat hij deze Nazareeërs zou kunnen overtuigen dat Jezus een eenvoudige man was, die niets bovennatuurlijks in zich had.
Wat Pilatus niet weet is dat Galigula zijn toespraak heeft afgeluisterd. Hij maakt zich na afloop kenbaar aan hem en Vestdijk weet hem bij deze eerste persoonlijke ontmoeting meesterlijk neer te zetten als een bijzonder onaangename man. ‘Het laatste half uur mocht hij gewend zijn geraakt aan bleke wangen, wat hij daar voor zich zag was zo volslagen krijtwit, dat een lijk, ernaast gehouden, nog gezond zou hebben geleken, en zeker levender. Verwezen terugstarende in groene, ver uiteengelegen ogen, bedacht hij, dat dit gezicht veel van een Medusakop weg had, die hij jaren geleden in Rome eens bij vrienden had gezien. De ogen waren dezelfde; de lippen waren dezelfde smalle, platte kussens, in dezelfde glimlach verstard; maar dan hield de gelijkenis ook op, want de vormloze neus, zwamachtig gezwollen, vooral naar de punt toe, hoorde eerder bij een Sileen. En dan was de vrouwenkop met het slangekapsel van een vreemde schoonheid geweest, deze man daarentegen – een man? - was lelijk.’
Galigula verzoekt Pilatus hem te bezoeken en hoort hem vervolgens uit over de Nazareeërs en hun plannen. Pilatus vertelt de keizer over Maria Magdalena en biedt Galigula haar aan; zelf heeft hij inmiddels genoeg van haar. De keizer gaat erop in, maar heeft het ook druk met andere beslommeringen, zoals het Circus Maximus bezoeken, leden van de senaat bespotten en bedreigen, knuffelen met zijn zwarte panter Nigra en trouwen met zijn zus Drusilla.
Maria Magdalena valt niet helemaal in de smaak bij de keizer, maar hij vermaakt zich wel met haar. Hij belooft haar dat hij de sekte zal erkennen en stelt voor om zelf Jezus te worden en zich te laten kruisigen, waarmee hij meteen bewijst dat hij een goddelijke natuur heeft. Hij gaat bij een heilige te rade of het mogelijk is een kruisiging te overleven. Hij bezoekt hem in zijn nederige woning, waar de man ligt te lijden, en maakt lugubere grappen. ’Ik ben zelfs bereid om mij in uw liggende houding te schikken. Al zou ik u kunnen laten villen. Dat is prettig, villen. Alleen knarst het wat. Men verwacht van villen, ja, levend villen bedoel ik, ik zie u bewegen daar in het donker, men verwacht van villen een ander geluid: zachter, weker, glijdender, zoals Apollo Marsyas vilde, - een gedicht, met schone rijmen... U houdt niet van villen, fakir Nârada, heilige man?’ In het bewustzijn van zijn onmetelijke macht kwam hij nader, sierlijk zwaaiend met de lamp, nederige bedenksels brouwend. Hij genoot. Hij bewoog de lamp alsof hij met licht aan het villen was, voorzichtig en teder.’
De gektes en wreedheden worden steeds erger. Pilatus spreekt met Seneca die aangeeft dat Galigula meer ziek dan wreed is, maar niemand kan hem vooralsnog tegenhouden. De climax volgt aan het eind van het boek wanneer Galigula een theatrale show laat opvoeren. Het sluitstuk is een kruisiging, waar hij bij nader inzien niet zelf aan deelneemt. De fakir en twee Joodse verraders worden gedood. Terwijl ze aan het kruis hangen wordt een troep hongerige wolven op hen losgelaten. Maria Magdalena voelt zich verraden. Ze had gedacht dat de keizer op deze feestdag de Nazareeërs zou erkennen. Ze spuugt hem in het gezicht, wat haar dood betekent. Pilatus weet dezelfde dag te ontvluchten met hulp van de Joodse koopman.
Toen De nadagen van Pilatus in 1938 uitkwam kreeg het geen enkele positieve recensie. Vestdijk besloot toen om onder een schuilnaam zelf een mooie kritiek te schrijven. Het verbaast mij helemaal niet dat het boek niet in goede aarde viel. Het verhaal met uitsluitend nare personages zit vol geweld en cynisme en biedt geen greintje hoop. De eerste christenen worden als een dolle sekte beschreven, Maria Magdelena als een gestoorde bitch en Jezus als een slampamper en oplichter. De wreedheden van Galigula gaan echt alle perken te buiten en hebben uiteindelijk niet echt meer een functie, behalve om te laten zien hoe iemand die onbeperkte macht heeft deze kan misbruiken. Sommige hoofdstukken zijn bijzonder goed geschreven met mooie onverwachte wendingen in het verhaal. De omgang tussen de drie hoofdpersonen vol wantrouwen en verdachtmakingen is ook goed uitgewerkt. Maar er zitten ook stukken in het boek die door de lange en waanzinnige redeneringen geen enkele richting uit lijken te gaan. Het is geen boek dat je in één ruk uitleest.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten