zondag 22 februari 2015

Maarten ’t Hart – Magdalena



Een nieuwe Maarten ’t Hart is altijd een feest. Dit boek over zijn moeder wilde hij al heel lang schrijven. Op haar verzoek heeft hij gewacht tot na haar dood. Maarten ‘t Hart verklaart, ook in interviews n.a.v. deze uitgave, dat hij zielsveel van zijn moeder hield. Als je het leest kun je je hierover verbazen. Zij was bazig, paranoia en tegen elke verandering gekant. Alles wat anders was dan in haar eigen jeugd, daar was zij op tegen.


Het boek is min of meer chronologisch, maar vormt geen afgerond geheel. Sommige hoofdstukken gaan niet specifiek over zijn moeder, maar bijvoorbeeld over zijn eigen jeugd en zijn twijfel aan de Bijbelse waarheid. Niet alle periodes komen even lang aan bod en de stijl kan per hoofdstuk verschillen: een jeugdherinnering, een aantal brieven van zijn moeder, een overdenking of een letterlijke beschrijving van een ontmoeting met haar, vaak met uitgebreide dialogen.

Er staan veel dingen in ‘Magdalena, die ik al kende uit andere boeken, zoals Maartens voorliefde voor breien, zijn verregaande bewondering voor zijn moeder als driejarige, de paranoia van haar dat haar man voortdurend vreemd zou gaan en vooral alle twijfel over het geloof en de anekdotes die over dit onderwerp voorbij komen.

Een mooi verhaal is bijvoorbeeld dat de jonge Maarten zich afvroeg hoe het mogelijk was dat al die dieren in de Ark van Noach paste. Hij ging zelfs naar de haven om de tijd op te meten, die een koe erover doet aan boord van een schip te komen. Hij rekende alles keer op keer na, vroeg het zijn moeder, de onderwijzer, de dominee. Zij gaven hem geen antwoord, maar  werden boos.

Een ander verhaal uit zijn jeugd, eerder apart uitgegeven, is ‘De ontvoering’. Zijn ouders waren van huis en er belde een onbekende man aan, die een graf wilde bezoeken; Maartens vader was grafdelver. De kleine Maarten mocht met de man meerijden in een luxeauto, voor het eerst van zijn leven! Hij reed door het dorp en was enorm trots. Bij thuiskomst bleken zijn ouders in paniek, maar toen zijn vader hoorde dat het de zoon van een oud-burgemeester was, was hij ook trots.

Favoriete uitdrukkingen van zijn moeder waren ‘da’s nergens goed voor’ en ‘geen denken aan’. Toen Maarten wilde doorleren na de lagere school was zijn moeder daar fel op tegen en gebruikte deze uitdrukkingen voortdurend. Haar broer Leen had immers ook niet doorgeleerd en was toch opgeklommen tot hoofd van de plantsoenendienst.

Door de hulp van een reeks onderwijzers lukte het uiteindelijk om moeder te overtuigen: hij mocht doorleren. Hoeveel hij ook van zijn moeder hield, er was dus wel degelijk verzet. Vooral kwam dit naar voren in het geloof. Op Maartens vragen, zei zij dat hij moest leren geloven als een kind.

Niet alleen was zijn moeder bazig en achterdochtig, zij was ook voor van alles bang. Van dieren moest zij niks hebben; toen Maarten een hond had durfde zij zijn huis niet in. Hilarisch is het verhaal van de pauw op het erf van Maarten. Zijn moeder gilde het uit. “Zo meteen pikt ze. … Mij moeten ze altijd hebben, die rotbeesten.”

De gektes van zijn moeder leken toe te nemen hoe ouder zij werd. Maarten luisterde er geduldig naar. Zijn broer en zus konden het niet meer aanhoren. Maarten probeerde haar nog weleens te betrappen op een tegenstrijdigheid. In de oorlog ging volgens zijn moeder haar man elke avond dammen. Maar natuurlijk ging hij iedere avond bij een ander mokkel langs!

Maarten gaf aan dat het spertijd was en er niemand ’s avonds over straat mocht. Maar zijn moeder antwoordde dat vader nergens bang voor was, ook niet voor de Duitsers.

Als kind hoorde Maarten nooit iets over de oorlog. Op school werd slechts de tachtigjarige oorlog behandeld. Maarten moest zelf de informatie bij elkaar lezen; hij was geschokt dat er een almachtige God kon bestaan die dit toeliet.

Er waren in Maassluis twee Joodse gezinnen afgevoerd, niemand in het dorp wist waarheen. Verder gebeurde er tijdens de oorlog niets in Maassluis. Geen verzet, geen illegaliteit. Althans, Maarten hoorde er nooit iemand over. Zijn moeder zei alleen maar: “Als je je hoofd maar zo weinig mogelijk buiten de deur stak, had je nergens last van.” Uiteraard werd er wel op zondag naar de kerk gegaan.

Na de dood van zijn vader bleef moeder volharden in haar wanen over hem. Tot ieders verbazing hertrouwde zij met een jeugdliefde en verhuisde zij naar Drenthe. Jaap was zo mogelijk nog vromer dan zijn moeder. De goddeloze Maarten was niet langer welkom.

De moeder van Maarten ’t Hart overleefde ook Jaap. In de laatste hoofstukken beschrijft hij zijn oude moeder in haar laatste jaren tot aan haar dood. Zij woonde in Maasland, raakte meer en meer in de war en moest in een verzorgingshuis worden opgenomen.

Haar moeder was altijd eerlijk en deed – los van haar wanen - eigenlijk geen mens kwaad. Toch herhaalde zij aan het eind van haar leven maar dat zij zo gezondigd had. “ Wat een grote, grote zondaars zijn we toch allemaal, je snapt niet dat de Heere ons niet allemaal verdrinkt, net als toen bij Noach, je snapt het niet.” Maarten moet zijn moeder overtuigen dat het in haar geval wel meeviel.

Volgens het Calvinisme van zijn moeder was alles doortrokken van zonde, zelfs de muziek van Bach en Mozart, voor Maarten ’t Hart iets onbegrijpelijks. Hier viel voor hem maar één conclusie uit te trekken: “het was een abjecte, bizarre, gruwelijke vorm van christendom.”

‘Magdalena’ mag niet ontbreken in de boekenkast van de liefhebber van het werk van Maarten ’t Hart. Het is niet zijn beste boek en het heeft een wat rommelige opbouw. Toch geeft het een mooi en wat tegenstrijdig beeld van zijn moeder. Zij was liefdevol, maar verbood hem ook van alles. Zij was bang voor iedereen, opgesloten in haar gewoontes, haar opvoeding en in het strenge Calvinisme. Maar dit gaf haar ook steun en veiligheid.

Verbazingwekkend is het hoe weinig iemand die leefde van 1920 tot  2012 heeft meegemaakt. Maarten ’t Hart geeft een opsomming van twee pagina’s dingen die zij nimmer heeft gedaan: nooit een muziekinstrument bespeeld, een museum of bioscoop bezocht, nooit een boek gekocht, gedanst of een concert bezocht, nooit ergens lid van geweest. Zij heeft zich nooit opgemaakt, haar tanden gepoetst of een broek gedragen. Zij hield niet van dieren, raakte nooit een huisdier aan, reed geen auto, deed niet aan sport, heeft nooit gezwommen, gevaren of een verre reis gemaakt. Wonderlijk is het, en dat alles vanwege haar opvoeding en haar geloof. En gelukkig was zij ook al niet. Geluk valt je - al dan niet - pas toe in het hiernamaals.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen