maandag 18 mei 2026

Simon Vestdijk - Meneer Visser’s hellevaart

Het is lang geleden dat ik Meneer Visser’s hellevaart las. Bij herlezing kon ik mij het verhaal niet precies herinneren, maar wel de ziekelijke sfeer die de hoofdpersoon uitstraalt. Hij is er voortdurend op uit is zijn medemensen in het stadje Lahringen te treiteren. Vestdijk schreef de roman in 1934, tussen januari en april, maar het boek verscheen in 1936, dus na Terug tot Ina Damman en Else Böhler. Het verhaal speelt zich af op één dag. De schrijver zit in het hoofd van Meneer Visser, waar continu boosaardige gedachten rondgaan, maar stapt ook zo over op andere personages die het beeld van de hoofdpersoon niet gunstiger maken. Aan het eind van de dag komt de lezer terecht in een hallucinerende droom.

Bij het wakker worden begint meneer Visser meteen zijn vrouw, die hij ooit trouwde vanwege haar domme lijdzaamheid, te pesten en te commanderen. Zij moet een bepaald overhemd voor hem klaarleggen. ‘Mevrouw Visser beefde. Begon hij zo vroeg al? Ze zocht en zocht, haar zwaar, moe kindergezicht over de stapels overhemden hangend, alsof er niet genoeg waren voor de tranen, die vast en zeker komen zouden; ze was maar zo zwak; straks kroop ze in de la, een klein meisje, een baby, knietjes krom, vuistjes dicht...’ Het stel is kinderloos en meneer Visser heeft geen werk. Enkele jaren geleden ontving hij een erfenis van een oom, waar hij een deel van zijn jeugd bij inwoonde. Hij besloot te verhuizen naar Lahringen en van het geld enkele huizen te kopen. 

De dagen brengt hij door met wandelen door het havenstadje, met zijn zogenaamde vrienden wat drinken in de dorpskroeg en sterke verhalen ophangen. Mensen sarren is zijn lust en zijn leven. Onlangs heeft hij tijdens Koninginnedag de boel in het honderd doen lopen. Hij betaalde twee half criminele types om de paarden op hol te laten slaan. Het gevolg was dat meneer Wachter zijn arm brak. Deze onderhuurder van meneer Visser is de vader van Anton. Mevrouw Visser is een vriendin van mevrouw Wachter. Zij komt vanavond op bezoek en meneer Visser heeft al een plan gesmeed om deze laatste vriendin van zijn vrouw weg te pesten. Anton speelt een rol in het boek als het jongetje dat opkijkt naar meneer Visser en blij is met de boeken die hij van hem krijgt.

De hele dag volg je de gedachten van meneer Visser. Hij bezoekt de kapper, eet als lunch een hele eend en staat te mijmeren bij zijn boekenkast. Hij is een bewonderaar van Robespierre: ‘Als ideaal zweefde hem voor een mengsel van onkreukbare burgerdeugd een schampere verachting voor alle burgers, wie men zijn wil niet zou kunnen opleggen. Robespierre belichaamde dat ideaal. Als Robespierre zou hij een wreker hebben willen zijn, een bleek, onverstoorbaar despoot zonder vrienden, die, vanuit éen of twee stelregels, de wereld regeerde, - maar alleen despoot, omdat de mensen zo dom waren, en alleen idealist, omdat de mensen geen idealen kenden.’

’s Morgens staat er een agent voor zijn deur, die vraagt of hij die middag op het bureau kan verschijnen in verband met de ongeregeldheden tijdens Koninginnedag. Het is een nieuwe aanleiding om vreemde speculaties op te roepen. Vestdijk weet hier meesterlijk de paranoïde gedachten te combineren met humor en grove typeringen van de stadsgenoten van meneer Visser. Zoals vaker bij Vestdijk beschrijft hij in dit boek uitgebreid de uiterlijke kenmerken van zijn personages, meestal is het niet erg fraai. Wanneer meneer Visser vlak voordat hij de politiecommissaris ontmoet, hoort dat deze man zijn huishoudster in een donker steegje heeft lastiggevallen, neemt de haat tegenover hem nog meer toe; bovendien heeft hij nu een chantagemiddel in handen om hem dwars te zitten: ‘De inspecteur deed een stap achteruit, met een uitnodigend manuaal van zijn twee handen, alsof hij meneer Visser met inspanning van al zijn krachten overlaadde. Deze trad het andere vertrek binnen, en stond plotseling oog in oog met een kleine, vervette man, die in het bezit was van dicht bij elkaar geplaatste, uitpuilende kikkerogen van kroosgroene kleur, en van palingachtige smaklippen, waarop het licht glom, dat door de hoge ramen binnenviel. Als om nog meer de nadruk te leggen op het poelachtige van zijn wezen, droeg hij een pak van rosbruine stof, een kleur als van ijzeroer.’

Het einde van het boek, de laatste zestig pagina’s, is hallucinerend. Zijn vrouw is huilend naar bed gegaan. Later komt Visser ook boven en ziet dat zij een overdosis slaappillen heeft ingenomen. Hij spoed zich naar de dokter, die hem vanuit het raam allerlei wonderlijke dingen toeschreeuwt, maar wel op zijn fiets stapt en naar zijn huis gaat. Ondertussen gaat meneer Visser, door plotse schuldgevoelens overmand, bij een kennis langs. Het verhaal wordt vreemder en vreemder, totdat hij ontwaakt.

Hij wordt echter wakker in een nieuwe angstdroom waarbij het terecht staat voor zo’n beetje alles wat hij in zijn leven heeft gedaan. Beschuldigingen stapelen zich op en de ene na de andere getuige spreek kwaad over hem. Prachtig is hoe Vestdijk hier personen en gebeurtenissen die eerder in het boek voorbijkwamen opnieuw een rol laat vervullen: zijn overleden oom, een hondje dat hij gepest heeft, de spiegels in de kapperszaak, Anton Wachter en nog veel meer. Hij is overal schuldig aan, maar de kapper merkt op dat hij niet alleen is. ‘En u bent de enige niet. Er lopen heel wat meneer Vissers rond zonder 't zelf te weten. Ik zie d'r hier genoeg; u bent nog niet eens éen van de ergste, want nooit heeft u moeite gedaan om te verbergen, dat u een meneer Visser bent. En nu u dadelijk de spiegel in moet, nu bent u misschien wel de beste van allemaal.’

Meneer Visser’s hellevaart is een uitzonderlijke roman, maar niet geschikt voor mensen die een lekker leesboek zoeken. Vrolijk is het evenmin, hoewel ik toch geregeld heb moeten lachen om de burleske beschrijvingen. Tot slot nog een citaat, waarin Vestdijk de lunch van meneer Visser beschrijft op een manier dat je er bijna misselijk van wordt: ‘Toen zij hem alleen gelaten had, viel hij als een wolf op de kluif aan. Met beide handen het been omknellend, scheurde en rukte hij met de tanden het vlees er af, malend, smakkend, oprispend nu en dan. Hij brak het been en zoog het merg er uit. Het halsje werd van de schotel gegrist, zijn vingers plukten het vlees tussen de wervels. Na het ruggemerg in zijn holle hand geblazen te hebben likte hij het daaruit op, met een platte, warme tong, kietelig, tot tussen de vingers. In zijn hoofd klonk het slagwerkorkest van een bezig gebit. Met wellust schraapte hij de laatste bloedstolsels van de binnenkant der ribben, vermaalde glazig gewrichtskraakbeen, vermorzelde dunne, sierlijke richels en sprongetjes, greep en knauwde en beet, en veegde de saus met zijn vingers op. Toch bevuilde hij zich nauwelijks, het was meer een demonstratie, een vlagvertoon. Even kwam het in hem op, zijn mes loodrecht in de tafel te steken, op de goede afloop, maar toen merkte hij vermoeid van verzadiging te zijn, hij stond traag rekkend op, zijn mondhoeken smalend omlaaggetrokken, en smeet zijn servet onopgevouwen op tafel, na zijn handen tot aan de polsen afgeveegd te hebben.’

Geen opmerkingen: