dinsdag 10 februari 2026

Remko van Bork – Rotterdam Popstad


Rotterdam Popstad is een monumentaal naslagwerk over zeventig jaar Rotterdamse popmuziek. Het is meer dan vijfhonderd pagina’s dik en bevat veel fotomateriaal. Het is lastig om zo’n breed onderwerp, met de hang naar volledigheid, behapbaar te presenteren. Popmuziek kent vele genres en bijbehorende subculturen. Kies je voor een chronologische benadering dan krijgt deze diversiteit te weinig aandacht, maar behandel je het puur thematisch dan doe je de ontwikkelingen binnen de popmuziek weer tekort. Remko van Bork combineert dit op een weloverwogen manier. Er zijn hoofdstukken over soul, metal, punk en andere genres en hoofdstukken die een periode behandelen. Ik las het boek met veel plezier en herkenning.

De schrijver richt zich niet alleen op de muziek zelf, maar ook op platenlabels, winkels, festivals, e.d. De hele infrastructuur van de popmuziek komt aan bod. Naast de indeling in chronologie en genre maakt de schrijver ruimte voor gebeurtenissen en personen die hij wil uitlichten en niet helemaal in het doorlopende verhaal passen.  Doordat hij ook veel, soms wat langere, citaten opneemt lijkt de structuur van het boek ingewikkeld, maar het geheel leest goed. Van Bork heeft een directe schrijfstijl en houdt ervan met veel feitjes te strooien. Iets waar ik zelf wel van hou. Hij besluit ieder hoofdstuk met lees- en kijktips. Ik las het boek in drie dagen uit, maar ik denk dat de meeste kopers van dit boek het vooral als naslagwerk zullen gebruiken. Daar is het uitermate geschikt voor.

 

Van Bork begint in 1958 met de Indorock, een naam die het pas kreeg in de jaren zeventig. Het is een bijna vergeten genre, maar het stond aan de wieg van de popmuziek in Nederland. De Indorock kwam uit Indonesië; na de onafhankelijkheid verhuisden 300.000 mensen naar Nederland. Bij veel Indonesische gezinnen was een gitaar in huis en jongeren speelden Rock ’n Roll naar Amerikaans voorbeeld met een speciaal tintje. Bekende bands zijn de Blue Diamonds en de Tielman Brothers. In Rotterdam bestond ook een levendige Indorock-cultuur met bands met namen als Skyrockets en Oety & His Real Rockets. Mooi is dat Van Bork hier en elders in het boek voortdurend een link legt met muziekstromingen in Nederland en daarbuiten.

 

Een paar dingen vallen op aan de opkomst van dit nieuwe genre; je ziet het terug bij andere nieuwe genres. Ten eerste zijn de pioniers jong en soms heel jong, vaak onder de twintig jaar. Daarbij is het zo dat zij elkaar goed kennen, samen optreden en op tournee gaan. Ook zijn er veel onderlinge uitwisselingen van bandleden. In het boek is een hele stamboom opgenomen van wie wanneer in welk gezelschap speelde. Dergelijke stambomen zijn er ook voor de punk, hardrock of dance te maken. Kennelijk stimuleert een stadse cultuur waar jongeren elkaar makkelijk kunnen vinden dat er veel culturele en artistieke uitwisseling plaatsvindt. Van Bork waagt zich in het boek echter niet aan de vraag wat deze invloed precies is en wat de muziek Rotterdams maakt. 

 

Wat aan het genre Indorock opvalt is dat het ook rond 1965 snel verdwenen is. Soms is de reden om te stoppen heel simpel: muziek maken bracht te weinig geld op, hoewel veel bands toerden in Duitsland waar zij beter betaald kregen dan in Nederland. Het was vaak onvoldoende om een bestaan op te bouwen. Wat ook roet in het eten gooide was het vervullen van de dienstplicht. Dit viel niet te combineren met spelen in een band. Meer genres bluste op een gegeven moment uit, zoals de soul en de punk. Er was een korte hevige opleving en na enkele jaren kiest de jeugd voor een ander genre om te pionieren. Uiteraard blijft soulmuziek en punk wel bestaan, maar zonder de dynamiek van de beginjaren; het wordt gewoon een genre naast andere genres. De Indorock is wat dit laatste betreft een uitzondering, omdat het genre echt in de marge verdween. Na de Indorock volgde de Beat als het belangrijkste nieuwe genre, maar ook dit stopte in 1970 vrij abrupt. Een reden hiervoor is dat veel bands de overstap van covers naar eigen nummers niet konden maken. Dat het palet in die tijd al heel divers was laat Van Bork zien door ook aandacht te besteden aan Nederlandstalige pop, de flower power (Kralingen 1970) en de soul die ook eind jaren zestig opbloeide in Rotterdam.

 

Het meest interessant vind ik de periode die ik zelf actief heb meegemaakt: de jaren tachtig, waarin punk, new wave en hardrock (de schrijver noemt het metal, maar begin jaren tachtig noemden wij de muziek nog hardrock) de belangrijke stromingen waren. Er waren veel kleine podia, ook vanwege het gemeentelijke beleid om iedere deelgemeente van een eigen jongerencentrum te voorzien. In het centrum waren Eksit en Lantaren de belangrijkste plekken waar het gebeurde. Op Zuid waar ik vandaan kwam had je onder meer de Baroeg, de Uitbraak, het Berenei, de Blokhut en de Chillup. In de laatste verzorgde ik half jaren tachtig een tijdje de programmering. De Chillup wordt kort genoemd, met helaas twee feitelijke onjuistheden. Maar goed, online is er ook niets meer te vinden over de Chillup.

 

Deze hoofdstukken las ik verder met heel veel plezier, vooral vanwege de herkenning. Bands als Picture, Highway Chile, Kiem, Döppelgangers, Debiele Eenheid, Bunker Oeso, Willy Nilly, Spasmodique, Noodweer, enzovoorts roepen de nodige herinneringen op. Van Bork laat hier heel mooi het enthousiasme, de vernieuwingsdrang en het protest vanuit met name de punkbeweging zien. De onderlinge uitwisselingen, maar ook de ruzies beschrijft hij goed. Je kan wel merken dat hij meer thuis is in de punk en alternatieve muziek dan in de hardrock. Opmerkelijk is dat hij de term new wave niet vaak gebruikt. Als wij half jaren tachtig gingen praten met bandjes die wilden optreden en demo’s van hen beluisterden dan zeiden de meeste bands dat zij een mix maakten van verschillende stijlen, maar uiteindelijke bleken ze dan in het bakje new wave thuis te horen. Ik denk dat deze stroming al snel een verzamelnaam is geworden, zonder afgebakende stijl of aansprekende namen in Rotterdam, vandaar dat new wave geen eigen hoofdstuk heeft gekregen in het boek.

 

De volgende hoofdstukken over dance en hiphop las ik met interesse; de veelheid aan namen die mij niets zeiden was soms een belemmering. Maar ook hier weet Van Bork goed het pionieren en het plezier van muziek maken te verwoorden. Hij betrekt er ontwikkelingen in de stad bij en behandelt producers, de neergang van platenzaken, de Danceparade, Now & Wow, en veel meer. Genres als reggae en de Kaapverdische muziek krijgen ook aandacht. Het laatste hoofdstuk, met ontwikkelingen die nog aan de gang zijn, is in zo’n soort boek altijd lastig. Je weet niet wat achteraf belangrijke gebeurtenissen en stromingen blijken te zijn geweest. Grote namen als Hausmagger, The Kik, Tramhaus, Lewsberg, Rats on Rafts en Harry Merry komen voorbij.

 

Het is heel mooi om te lezen wat voor muziek er allemaal uit Rotterdam komt, maar steeds vaker vroeg ik mij af of er iets is wat al deze verschillende bands uit het boek specifiek Rotterdams maakt. De vraag is lastig te beantwoorden, maar als er Rotterdamse popmuziek in de ondertitel staat zou je willen weten waar de grenzen liggen. Bij popmuziek is dit al heel lastig. Van Bork behandelt ook Nederlandstalige muziek, volksmuziek en kleinkunst, maar Jazz laat hij buiten beschouwing (terecht, want Hans Zirkzee heeft hier al een standaardwerk over geschreven). En is hiphop popmuziek? Veel hiphoppers vinden waarschijnlijk van niet. Nog moeilijker is te zeggen wat Rotterdams is of niet. Hoeveel leden van een band moeten er dan wonen in Rotterdam; en wat als een Rotterdamse band in Amsterdam gaat wonen? Jan Rot wordt bijvoorbeeld behandeld, maar hij woonde hier slechtst de laatste paar jaar van zijn leven. 

 

Is er dan een typisch Rotterdams kenmerk aan te wijzen in al die genres uit Rotterdams. Ik denk dat je snel in clichés als rauw, urban, authentiek en dergelijke vervalt. Genres of muzikanten die daar dan buiten vallen, zouden vervolgens niet echt Rotterdams zijn; dat lijkt mij problematisch. In Gehavende Stad (2012) doen Erik Brus en Fred de Vries wel een poging dit Rotterdamse te duiden. Zij legden heel duidelijk een link met de literatuur en zochten in de muziek naar stijlen die daarbij aansloten en ontmoetingsplekken in de stad waar muziek en literatuur elkaar raakten. Het is een prachtig boek, maar het heeft niet het encyclopedische wat Rotterdam Popstad heeft. Toch vind ik het een beetje jammer dat Van Bork niet iets heeft proberen te zeggen over wat Rotterdam bijzonder maakt als muziekstad of wat de lange termijn trends zijn over die zeventig jaar.

 

Met heel veel plezier las ik Rotterdam Popstad, maar bij een werk dat volledigheid beoogt wil ik ook wat te zeuren hebben. Wat mij opviel aan de mensen die hij sprak voor het schrijven van dit boek is dat de naam van Roland Vonk ontbrak. Hij is een groot kenner van Rotterdamse muziek, weliswaar niet van genres als House en hiphop, maar zijn kennis is enorm. Ten tweede vond ik het heel jammer dat Bana niet genoemd werd. Hij bracht tientallen platen uit en was na Cesária Évora een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Kaapverdische muziek. Hij woonde af en toe in Rotterdam en nam eind jaren zestig aan de Beukelsdijk zijn eerste albums op. In het boek wordt wel het Rotterdamse Morabeza Records genoemd, het platenlabel waar Bana ook diverse platen uitbracht, maar helaas komt hijzelf niet in beeld, een reden voor mij om hem even te noemen. Dus luister naar Bana terwijl je Rotterdam Popstad leest.

Geen opmerkingen: