Nobelprijswinnares Wisława Szymborska schreef vijftien poëziebundels, maar ook essays en columns. Voor het Poolse weekblad Het literaire Leven, dat verscheen tussen 1960 en 1968, verzorgde Szymborska de rubriek waarin zij antwoord gaf aan beginnende dichters en schrijvers die werk hadden ingestuurd. Haar antwoorden zijn puntig en speels, maar hebben vaak een wat cynische ondertoon. Zelden is zij positief over iemands werk, maar de wenken die zij aanreikt om beter te schrijven zijn vaak raak. De ondertoon van dit door Karol Lesman vertaalde boekje is: ‘Hoe word je (geen) schrijver?’
Diverse keren benadrukt zij het belang van een goede begeleidende brief die voldoende informatie bevat: niet te veel en niet te weinig, maar in de ene brief staat niets over de schrijver, een volgende bevat kantjesvol geleuter. Bij haastige geschreven brieven vol fouten legt zij het liefst het bijgevoegde werk meteen terzijde. ‘Er is nog nooit – en we bedrijven deze ‘Brievenpost’ al vele jaren – een geval geweest waarbij aan zo’n brief teksten waren toegevoegd die de aandacht waardig waren. Nooit.’
Zij waarschuwt inzenders geregeld om details te noemen, een personages een gezicht te geven. Iemand krijgt te lezen dat al zijn personages kleurloos, uitdrukkingsloos en zonder persoonlijkheid zijn. ‘Alleen van veraf lijken alle mensen gelijk, een schrijver daarentegen moet van dichtbij observeren. ‘Moet’ is trouwens niet het juiste woord, want niemand dwingt hem, het is simpelweg een kwestie van schrijversinstinct.’ Zij heeft het ook niet zo op dichters die uiterst dichterlijk formuleren, ‘dat zijn typische neuroses van bijna elke beginnende geniale dichter. Geneselijk, mits tijdig ontdekt. Uw gedichten lijken vooralsnog op moeizame vertalingen van eenvoudige taal naar gecompliceerde, zodat men zou willen vragen om de originelen op te sturen waar dit zinloze werk op is gebaseerd.’
Een enkele keer is zij positief. Zij moedigt de schrijver aan en vraagt hem of haar om meer werk op te sturen. Maar dan reageert zij weer op een mislukte inzending. Iemand die snel zegt te schrijven antwoordt ze: ‘We smeken u, minder wat vaart en denk eens een uurtje na boven een leeg vel papier. Er wacht u een volstrekt nieuwe en buitengewone ervaring.’ Haar reactie kan kort zijn: ‘Uw manuscripten, die we aanvankelijk voor gedichten aanzagen, kon niemand van ons doorgronden. Pas in de apotheek werden ze ontcijferd. De medicijnen zijn af te halen op de redactie.’ En het kan nog korter:’ Dus uw vrienden noemen u de nieuwe Lec? Dat bewijst alleen dat niet alles wat nieuw is, beter is.’
Tussen alle scherpe en humoristische antwoorden in staan soms zeer bruikbare schrijfadviezen. De eerste en belangrijkste is om vooral veel te lezen. Een andere tip is dat een schrijver iets meer over zijn personages moet weten dan zijzelf over zichzelf weten. Of tenminste – evenveel.’ Brievenpost is een geestig en leerzaam boekje, dat het uitstekend doet als cadeau aan beginnende schrijvers.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten