maandag 6 november 2017

Bohumil Hrabal – De toverfluit

Een vertaler van het werk van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabel heeft het niet gemakkelijk. Los van de spreektaal en straattaal die Hrabal hanteert en het gebruik van bedekte termen om de censuur te omzeilen, bestaan er van de meeste verhalen twee of drie versies. De door hemzelf gecensureerde verhalen verschenen in bladen in Tsjecho-Slowakije. De versies in buitenlandse tijdschriften waren ongekuist. Daarnaast bestaan er van veel verhalen oerversies, die hijzelf in klad bewaarde.


Bijkomende problemen zijn dat Hrabal werkte op een Duitse schrijfmachine, zonder specifieke Tsjechische letters, dat hij niet maalde om tikfouten, eigenlijk niet eens kon typen en dat hij vaak een eigen spelling hanteerde. Bovendien was hij van mening dat een verhaal nooit af was. Hij had nooit bezwaar tegen het bewerken van zijn verhalen voor toneel of film. “Al mijn teksten zijn in een voortdurend veranderingsproces.”

De vertaler Kees Mercks klaagt hier niet over, maar vertelt in het uitstekende nawoord enthousiast over de persoon Hrabal en zijn eigenaardigheden. De verhalen in deze bundel zijn afkomstig uit bijna veertig jaar schrijverschap, van begin jaren vijftig tot eind jaren tachtig. Opmerkelijk is de toon en thematiek niet wezenlijk zijn veranderd. Veel verhalen zijn absurd en lijken uit de losse pols te worden verteld aan de koffietafel. Zij gaan over het alledaagse leven van mensen aan de onderkant van de maatschappij. Deze mensen maken in het verhaal meestal iets vreemds mee. Er zit soms een begin en eind aan een verhaal, maar ik heb ook wel eens het gevoel dat een vertelling nog een heel boek door kan gaan.

Het verhaal ‘De doorgetrapte trom’ gaat om een toezichthouder, een kaartjescontroleur. De eerste zin luidt: “Niets deed me zo goed als kaartjes scheuren en meteen even wijzen waar iemand moest gaan zitten.” De man is een geboren controleur en ziet in één oogopslag of iemand wel betaald heeft. “Ik hoefde maar te kijken of iedereen zag al meteen aan mijn blik dat ik de man was die toezicht hield.” Hij promoveert tot controleur in eersteklasschouwburgen. Hij heeft weinig vrienden en kan alleen opschieten met zijn zwager, die paspoorten voor het buitenland stempelt. Hij is even fanatiek in zijn werk als de controleur.

Natuurlijk gaat het mis. De controleur scheurt op een dag kaartjes bij een elitevoorstelling in de Wallertuin. Achter een muur is de Thomastuin, waar op hetzelfde tijdstip een blaaskapel speelt. Voor eens en altijd wil hij orde op zaken stellen. Hij klimt over de muur. Zowel zijn gestalte als zijn wereldbeeld wankelt.

Het titelverhaal ‘De toverfluit’ heeft minder structuur dan ‘De doortrapte trom’. Het is één lange gedachtestroom. Een man staat op uit bed en alles doet zeer. Hij begeeft zich op straat, in een maalstroom van de grote stad. Hij sluit soms zijn ogen om zijn gedachten de vrije loop te laten. Hij is gefascineerd door mensen die uit ramen springen, zoals Malte Laurids Brigge, ook hem deed in Parijs de wereld zeer. Ook hij sprong vanaf de vijfde verdieping. Hij mijmert verder over Heidegger, Kafka, T.S. Elliot en vele anderen. En overal ziet hij mensen van de vijfde verdieping springen.


Hrabal schreef dit verhaal acht jaar voor zijn dood. Uiterst opmerkelijk is dat hij zelf overleed op 3 februari 1997 door uit een raam van een ziekenhuis te vallen, vanaf de vijfde verdieping.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten