donderdag 2 januari 2014

Loesberg in PC


Robert Loesberg (1944-1990) was een Rotterdamse schrijver. Zijn werk kenmerkt zich door woede en sarcastische humor. In de jaren 70 publiceerde hij twee boeken: ‘Enige defecten’ en ‘Een eigen auto’. Het eerste is onlangs heruitgegeven, zeker het lezen waard.

Loesberg was enige tijd redactielid van het Amsterdams Propria Cures en kon zich hier literair flink uitleven. Dit boekje uit 1991 bevat een selectie van zijn bijdragen aan PC. Ik heb het ooit gelezen maar had het niet zelf in bezit. De oplage is beperkt, maar vorige week heb ik het weten te bemachtigen via marktplaats.
In het voorwoord schrijven de samenstellers dat er weinig (ex-)redacteuren zijn die zulke heftige reacties weten op te roepen als Loesberg. Hij wist veel mensen vakkundig af te zeiken en was soms evenzeer arrogant als flauw. De haat die hij bij mensen opriep, schreeuwde hij zelf ook uit. Hij koketteerde er mee: “Ik besta voor 60% uit vocht. De rest is woede.”

Onder de wat langere teksten in deze bundel zijn er een paar zeer de moeite waard. De korte besprekingen van en parodieën op andere schrijvers zijn wat minder.

Uitvoerig beschrijft hij als cultuurminnaar het bezoek aan museum Boymans. Hij ergert zich kapot aan rennende kinderen en ander gespuis en kan zich hier pagina’s lang prachtig over opwinden. “Kunst is er voor een selecte groep van fijnproevers… beslist niet voor de arbeiders, de laagste laag der bevolking.” Het mag duidelijk zijn dat hij zichzelf tot de elite rekent. Sterker nog, hij behoort tot de Loesbergen, een geslacht van louter reuzen.

Als Rotterdammer had Loesberg een mening over het gezellige Amsterdam die hij niet voor zich hield. Vooral in de zomer vond hij het vreselijk in de hoofdstad. In het stuk ‘ Werd het maar weer oorlog!’ prijst hij de naoorlogse plannen voor de wederopbouw van de Rotterdamse binnenstad. Het idee erachter was volgens hem de anti-gezelligheid. Loesberg wil hier natuurlijk vooral mensen op de kast jagen met uitspraken als ‘het te weinig geprezen bombardement’ en ‘de prachtige opruimingswerkzaamheden’. Hij is vooral blij met de winderigheid in het nieuwe Rotterdam en de prachtige emotieloze rechte lijnen die de stedenbouwkundigen op papier hebben gezet. “Weg met de gezelligheid want die smerige overbodigheid is een zwakte.”

In een van zijn latere bijdrage laat Loesberg een andere kant van zichzelf zien. Hij zit al een tijdje niet meer in de redactie van PC en schrijft in 1982 vanuit de kliniek waar hij behandeld wordt. Hij kijkt terug op zijn leven, schopt wat in het rond, maakt grappen over de doodstraf en zegt geen dierenvriend te zijn. Later vertelt hij liefdevol hoe hij zich jarenlang over een kat heeft ontfermd. Het is het decembernummer van PC. Loesberg wil de pret niet te zeer bederven. ”Ik ben moe. Ik neem aan dat u nu voldoende woorden hebt, waarde vrienden. Laat uw feestvreugde niet door zo een chagrijn vergallen. Nu ik aan gal denk, denk ik aan de fles.” En Loesberg besluit zijn bijdrage met een welgemeend Proost!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten