zondag 23 augustus 2026

Kornel Filipowicz - Memoir van een antiheld


Voor De Reactor schreef ik op 21-8-2026 de volgende recensie.

In 1961 verscheen Memoir van een antiheld, een microroman zoals de Poolse auteur Kornel Filipowicz (1913-1990) dit werk noemde. Hij schreef een aantal romans, maar stond vooral bekend als schrijver van korte verhalen. De microroman is een tussenvorm: hij heeft alle kenmerken van een roman, maar de elementen in het verhaal zijn sterk gecondenseerd, zoals vertaler Karol Lesman in het uitstekende nawoord uitlegt.

De naamloze antiheld uit deze microroman is op vakantie in X wanneer de Duitsers Polen binnenvallen. Zijn enige doel is om te overleven en hij doet dit door zich koest te houden. Terwijl de meeste vakantiegangers vluchten blijft hij op zijn plek. In het hele verdere verhaal is schuilhouden zijn strategie terwijl de wereld om hem heen verandert gedurende de oorlogsjaren en na de bevrijding. Filipowicz weet deze veranderingen in een directe stijl te verwoorden vanuit het perspectief van zijn hoofdpersoon en hij laat hem meebewegen met iedere omwenteling. De strategie van de antiheld is niet altijd effectief, want hij wordt na de oorlog enige tijd vastgezet wegens landverraad, maar hij overleeft de gebeurtenissen wel.

Je kunt deze antiheld zien als een opportunist. De literaire kritiek was bij het verschijnen van Memoir van een antiheld sceptisch: ‘Had Filipowicz met Memoir misschien een apologie voor het opportunisme geschreven? En zo ja, in hoeverre was dit werk autobiografisch?’ Deze kritiek is begrijpelijk. Bij goede schrijvers als Filipowicz is het gemakkelijk om je helemaal te verplaatsen in een hoofdpersoon, zelfs als deze kwaadaardige trekken heeft. Je begrijpt zo beter de motieven van iemands handelen, maar het zadelt de lezer ook op met een ethisch dilemma. De naamloze hoofdpersoon uit Memoir van een antiheld is iemand die niet in de problemen wil komen en lijkt een opportunist, maar zijn reactie op de Duitse overwinning, meteen aan het begin van het verhaal, zet de lezer op scherp. Hij beschrijft krijgsgevangen genomen Polen als ‘minder dan verslagenen; zij waren vernietigd, uitgeroeid.’ Hij noemt ze ‘weerzinwekkend, versleten, smerig en wild. Dieren in lompen.’ Over de Duitsers met hun uitrusting en discipline is hij daarentegen vol bewondering, want zij behoren tot het zegevierende leger.

Voor iemand die zich koest wil houden is hij wel erg uitgesproken over de twee partijen. Nadat de Polen verslagen zijn doet hij zich voor als een Volksduitser en gaat hij werken op een Duits kantoor, maar zijn positie blijft onduidelijk: ‘De Duitsers zagen me gewoon als een Pool, de Polen als een Duitser, terwijl ik geen van beiden was.’ Door zijn omgeving wordt het werken voor de Duitsers als verraad beschouwd. Op een dag belagen de kinderen van de huisbewaarder hem en hij onderneemt actie. Via iemand die hij kent bij de Kriminalpolizei laat hij de huisbewaarder eerst oppakken, om hem later ‘via zijn connecties’ vrij te krijgen. De man bedankt hem zeer voor het redden van zijn leven. Het is een uiterst lage daad, maar uiteindelijk is er niemand slechter van geworden. De huisbewaarder ziet hem als held, terwijl hijzelf er geen morele gevoelens bij heeft; de actie was een instrumentele daad om te overleven. Hij kijkt eigenlijk niet naar zichzelf als iemand die partij kiest. Hij heeft een hekel aan idealisme en aan de oorlog, en hij zoekt manieren om erdoorheen te komen. Daarbij is hij geheel op zichzelf aangewezen; hij trekt zich als het spannend wordt en er een machtswisseling plaatsvindt terug op zijn kamer.

Nadat de Duitsers verslagen zijn ziet hij ze met andere ogen: ‘Overwinnaars zijn sterk en mooi zolang ze natuurlijk hun positie behouden.’ De Polen zien er nu sterker uit; hij spreekt bewondering voor ze uit, maar in feite is dit een loze kreet. ‘Mijn sympathieën voor de winnaars hebben niets met overtuiging te maken. Ik sta boven idealen; ik ga niet, zoals allerlei idealisten, gebukt onder aarzeling of verwarring, ik heb niet de scrupules van patriotten. Ik sta boven dat alles. Omdat ik geen overtuigingen heb.’ De nieuwe machthebbers denken hier anders over en pakken hem op. Er volgt later een proces waarbij hij van schuld wordt gezuiverd, mede door de getuigenis van de huismeester.

Deze antiheld is een karakter dat de lezer dwingt zich een mening over hem te vormen. Dat maakt hem zo interessant. Een dergelijk personage komt vaker voor in de Poolse literatuur, zoals in Deemoed, de onlangs in het Nederlands vertaalde roman van Szczepan Twardoch. De hoofdpersoon Alojzy Pokora voelt zich nergens thuis. Hij komt in complexe oorlogssituaties terecht met vele elkaar bestrijdende partijen en staat er net als de verteller van Een memoir alleen voor in een wereld die uiteenvalt. Hij wordt telkens gedwongen te kiezen, neemt verschillende identiteiten aan, maar hij heeft eigenlijk geen eigen identiteit.

Polen bestond niet in de negentiende eeuw en in de twintigste eeuw vonden er ingrijpende grensverschuivingen plaats, waarbij miljoenen Polen, Duitsers, Witrussen en Oekraïners verhuisden. Identiteit en het gevoel van thuis zijn is voor veel Polen die de oorlog hebben meegemaakt problematisch. Bovendien veranderden, anders dan bijvoorbeeld in Nederland, de grenzen tussen goed en fout geregeld vanwege kantelende machtsverhoudingen. Hoe dit van invloed is op zoekende personages in de literatuur is natuurlijk moeilijk te bepalen, maar dat de oorlogsjaren en de Russische bezetting springlevend bleven in het Poolse bewustzijn bewijst de stroom Poolse verhalen en romans die zijn verschenen over dit onderwerp, en nog steeds verschijnen.

Memoir van een antiheld is hier een bijzonder interessant voorbeeld van. Filipowicz’ microroman is niet alleen erg goed geschreven in een onopgesmukte stijl, hij geeft met zijn schitterend uitgewerkte dilemma’s en intrigerende hoofdpersoon ook veel stof tot nadenken.

Geen opmerkingen: