dinsdag 27 oktober 2020

Naomi Rebekka Boekwijt – Bloedblaren



Bloedblaren is het vierde boek van Naomi Rebekka Boekwijt. Haar krachtige stijl zoals zij die hanteerde in de twee romans en de verhalenbundel die zij eerder schreef, zie je terug in deze nieuwe roman. Gitta, de hoofdpersoon uit Noordwaarts lijkt op Liv uit Bloedblaren. Verder is dit boek compleet anders. Het perspectief is teruggebracht tot één hoofdpersoon. Liv beoefent fanatiek de sport CrossFit. Het is een manier om met haar psychische problemen en haar traumatisch verleden om te gaan. Deze problemen overwinnen of haar verleden vergeten is niet aan de orde. Het verhaal is voor een groot deel autobiografisch.


Het verhaal beslaat een jaar. De twaalf hoofdstukken zijn genoemd naar de maanden van het jaar. Ieder hoofdstuk begint met een CrossFit oefening: 100 double-unders,12 ring muscle-ups, 20 dumbbell snatsches, enzovoorts. Voor mij is het abracadabra. Crossfit is een sport die fitness, gewichtheffen en nog wat sporten combineert om zo alle spieren in het lichaam te versterken en niet te specialiseren. De bedoeling is om de oefeningen zo snel mogelijk te doen. Dit is ook het wedstrijdelement van de sport. De voor mij onbegrijpelijk terminologie gekoppeld aan haar korte, snelle zinnen, brengen je binnen een paar pagina’s uit je eigen wereld en in het hoofd van Liv. Je leeft meteen met haar en haar trainingen mee. Sterk is dat Boekwijt de dialogen in het boek qua vormgeving uitlicht. Dit zijn de enige plaatsen waar we andere mensen horen spreken.

 

Liv woont sinds kort in een groot huis dat nog opgeknapt moet worden. Zij is huisschilder en doet de meeste klussen zelf. Dit pakt zij op dezelfde fanatieke manier aan als zij haar trainingen uitvoert. Haar huisgenote Emilie is heel anders: sociaal, normaal en veel minder fanatiek in alles. Maar je weet eigenlijk niet zoveel van Emilie, omdat je geheel in de gedachten van Liv zit. Boekwijt voert dit solipsisme tot het einde van het boek door. Vanaf het tweede hoofdstuk komt er een nieuwe stem het verhaal binnen, in de vorm van dagboekfragmenten van de jonge Liv.

 

Langzaam wordt de lezer het trauma van Livs leven binnengezogen. Haar moeder liet haar op jonge leeftijd in de steek. Liv leefde met haar vader samen, een man die geen aandacht aan haar schonk. Wanneer zij werd gepest of mishandeld op school reageerde hij geïrriteerd en boos op haar. “Elk jaar op Moederdag vraag ik me af waarom ik niet goed genoeg was voor mijn moeder. Hoe ze een heel nieuw gezin kon stichten zonder dat ik daar een plaats in mocht hebben. Misschien vond zij mijn vader liefdevol genoeg voor twee. Maar zij weet niet hoe bitter hij werd na haar vertrek.” Als uitweg ging Liv zichzelf snijden. Haar vader reageerde karakteristiek. “Het wordt tijd dat jij je eens normaal gaat gedragen, in plaats van dat theatrale gedoe.” Uiteindelijk werd Liv voor enige tijd in een jeugdinrichting opgenomen. 

 

Het gevolg van Livs trauma is dat zij zich altijd bespot voelt door andere mensen. Zodra zij ergens op de voorgrond treedt sluipt dit mechanisme haar hoofd in. Trainingen helpen haar te focussen en andere gedachten uit te bannen. Zij hoopt er ook beter door te kunnen slapen. Maar tijdens wedstrijden, als anderen op haar letten, heeft zij het moeilijk. Gedachten die zij haar hele jeugd had keren dan terug. Anderen praten over haar, hebben kritiek en zien haar stuntelen. Zij voelt zich weer mislukt. “Waarom komen deze beelden terug? Waarom nu? Ik zit er niet op te wachten. Het was beter toen ik mij niets kon herinneren van die jaren. Nu loop ik de hele tijd door het verleden in het heden. Sleep dat kind en die tiener met me mee.” Ook in haar dagboek leest zij over terugkerend patronen: “Het lijkt wel of ik weer vijftien ben. Mensen zijn vervelend. Ze doen me altijd pijn. Ik ben ook een mens en ik doe mijzelf ook pijn.”

 

Op de sportschool (de box) leert zij andere sporters kennen. Zij krijgt waardering vanwege haar prestaties. Zij raakt zelfs bevriend, maar het is lastig voor haar om te aanvaarden dat anderen haar als persoon aardig vinden. Een van de weinige mensen die zij in vertrouwen neemt is Sien, die zij nog kent als begeleidster uit de jeugdinrichting. Liv moet wel iets overwinnen om haar weer te bellen.

 

Er is in de Nederlandse literatuur vaker over jeugdtrauma’s en over psychiatrische problemen geschreven. Het uitzonderlijke van Bloedblaren is dat de lezer helemaal meegevoerd wordt in het hoofd van iemand met borderline, een ziekte die gedrag veroorzaakt dat voor buitenstaander sowieso moeilijk te bevatten is. Bovendien verwoordt Naomi Rebekka Boekwijt deze ervaringen in een zuivere, heldere taal. Niet voor niets krijgt zij veel waardering van Manon Uphoff, die met Vallen is als vliegen een vergelijkbaar intens boek heeft geschreven.


Tot slot citeer ik een passage waarin de hoofdpersoon haar gevoel beschrijft tijdens een gymles. “Ik begreep de spellen in de gymzaal nooit, de regels gingen bij de uitleg niet als iets praktisch begrijpelijks naar binnen. Het leek alsof die regels voor anderen bestemd waren en niet voor mij, want ik stond overal buiten, alles ging langs mij heen. Kijk alsjeblieft niet naar me, lach niet te hard, geen scheldwoorden alsjeblieft. Ik kon me geen houding geven, constant bezig met hoe ik stond, hoe ik deed, wat voor beweging ik maakte, welke beweging ik ging maken. Diepe vernedering. Het weg willen, alleen nog maar weg, en als ze me in een hoek drongen, dan maar diep weg in mezelf.”

Geen opmerkingen: