zondag 5 juli 2020

L.H. Wiener – Zeeangst

Dit jaar op 16 februari werd L.H. Wiener vijfenzeventig jaar. Er hebben geen opzichtelijke feestelijkheden plaatsgevonden. Zeeangst zou eerder dit jaar verschijnen, maar kwam uiteindelijk begin juni geruisloos de boekwinkel binnen. Het boek heeft als ondertitel Een logboek en Wiener doet verslag van een zeiltocht naar Engeland en terug. Hij reist met zijn vriendin Antje Noordwest (Ant) en de poes Loes. Hun boot heet de Argos.


Vaak vermengt Wiener doelbewust feit en fictie in zijn werk. In Zeeangst heb ik het gevoel dat hij vrij nauwkeurig verslag doet van een reis die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hij gebruikt zeer veel terminologie en niet voor niets is er achterin een lijst met zeilbegrippen opgenomen. Ik heb er amper in gekeken. Wanneer hij een verhandeling geeft en woorden gebruikt als giekrem, genua, helmstok, scheg of rolfok dan lees ik rustig door zonder exact te weten wat er aan de hand is aan boord van de Argos. Ik lees Wiener niet vanwege de zeiltechnische uiteenzettingen. Gelukkig is Zeeangst meer dan dat. Zij bezoeken plekken waar Malcom Lowry en Virgnia Woolf hebben gewoond. Citaten uit de Macbeth schieten regelmatig door Wieners hoofd. 

Aan het begin van het boek vertelt hij over een dramatische gebeurtenis uit zijn jeugd. Als dertienjarige verdronk hij bijna voor de kust van Zandvoort. “Deze gebeurtenis heeft de zee voor mij getransformeerd tot een vijand.” Diverse malen tijdens de reis raken zij verzeild in een storm. Levendig stelt hij zich voor dat Ant te water raakt en bijvoorbeeld door de schroef wordt vermalen. Hij verwijst naar andere zeilers die dezelfde zeeangst bezaten. De hele reis heeft hij dit ‘wat als’-syndroom.
Helemaal aan het einde bemerkt hij dat hij een splitpen niet goed gebogen heeft, een levensgevaarlijke situatie die dus niet tot ongelukken heeft geleid. “Visioenen van fatale verwondingen dringen zich op, waardoor mijn aanvankelijk schrikreactie overgaat van ongeloof in verbijstering.” 

De fantasie van  Wiener richt zich soms op passanten. Ant moet zich laten behandelen in een ziekenhuis, omdat zij door de nagels van Loes is in haar oog geraakt. Een vrouwelijk arts in het ziekenhuis krijgt de volle aandacht van Wiener. Hij schrijft haar een lange erotiserende brief, die hij natuurlijk nooit zal versturen, maar wel mooi is opgenomen in dit boek. Naast fantasieën, literaire bespiegelingen en zeilbesognes beschrijft Wiener vaak de knusse sfeer aan boord en de uitstapjes met Ant in allerlei kustplaatsen. Het gesol met Loes krijgt ook ruime aandacht. Een paar maal ontsnapt de poes van boord, maar telkens weten ze haar weer te vinden. Wanneer zij net in Engeland aankomen is er even grote consternatie. De poes mag het land niet binnen, maar gelukkig wordt met de plaatselijke dierenarts een oplossing gevonden. 

Mooi zijn de passages waar Wiener zijn dranklust verwoordt. Met een verwijzing naar Under the Volcano koopt hij voor het eerst van zijn leven een fles tequila. De drank zou zowel een vernietigende als een vitaliserende kracht bezitten. Aan mescal waagt hij zich niet, “een brouwsel dat de consul vreest en dat door hem louter wordt gezien als de vloeibare dood, want zou hij zich overgeven aan mescal, dan zou het proces van zelfvernietiging zich te snel manifesteren en nergens meer enig moment van verdovende troost bieden.” Hij schenkt zich een waterglas tequila in, zout en schuifje citroen erbij. Het valt wat tegen. “Misschien moeten we Malcolm Lowry niet altijd op zijn woord geloven, Ant, maar Under the Volcano blijft een meesterwerk.” Later ontdekt hij dat Tequila verschillende alcoholpercentages kan hebben, oplopende tot 60%. Zijn flesje Ocho bevatte slechts 40%, meer mag niet geïmporteerd worden in de UK. “Er is dus nog hoop.”

Zo goed als behouden komen zij na negen weken aan in Haarlem. Het laatste hoofdstuk is een brief aan de Franse dagboekschrijver en kattenliefhebber Léautaud. Hij noemt hem de grootste kattenman aller tijden. Wiener bewondert zijn werk en deelt zijn levendige vrees wanneer een kat dagen van huis is. Het hoofdstuk lijkt wat uit de lucht te komen vallen, maar het sluit uitstekend aan op de rest van het boek. Het slotstuk van dit voor Wiener verder wat luchtig werk is dramatisch en ontroerend.

Geen opmerkingen: