zondag 13 januari 2019

Andrea Wulf – De uitvinder van de natuur

Alexander von Humboldt (1769-1859) was een bijzondere man en de grootste wetenschapper van zijn tijd. Andrea Wulf heeft een prachtig boek over hem geschreven. ‘De uitvinder van de natuur’ is een biografie, maar het geeft ook een beeld van de stand van wetenschap in zijn tijd. Bovendien besteedt zij veel aandacht aan de invloed die Von Humboldt had op zijn tijdgenoten en navolgers.


Alexander kwam uit een aristocratische Pruisische familie. Zijn vader diende in het leger en was kamerheer aan het Pruisische hof. Zijn moeder gaf Alexander en zijn twee jaar oudere broer Wilhelm het beste qua opvoeding en opleiding, maar genegenheid tonen kon zij niet. Het strenge onderwijsprogramma was voor beide broers gelijk. Qua karakter verschilden de twee hemelsbreed. Wilhelm zocht zekerheid en later een goede maatschappelijke positie. Alexander had op jonge leeftijd al last van ‘Fernweh’. Hij voelde zich onverklaarbaar aangetrokken tot het onbekende.

In zijn jeugdjaren had Alexander al een enorme energie en werklust. Tot aan zijn dood zou hij energiek blijven. In korte tijd rondde hij een opleiding tot mijnbouwdeskundige af, een keuze van zijn moeder. Het voordeel was dat hij, eenmaal benoemd tot mijninspecteur, veel kon reizen en overal onderzoek kon doen. Zijn belangstelling was toen al zeer intens en breed. Hij schreef handboeken over mijnbouw, maar publiceerde ook een werk over onderaardse flora. Hij had interesse in botanica, zoölogie, scheikunde, geografie, enzovoorts. Zijn belangstelling voor dierlijke elektriciteit, het galvanisme, leidde ertoe dat het experimenten op zichzelf uitvoerde.

Door zijn energie inspireerde hij anderen, en niet de minsten. Goethe schreef aan Schiller dat door Von Humboldt zijn wetenschappelijke belangstelling uit een winterslaap was gewekt. Goethe en Von Humboldt zouden elkaar later niet vaak meer zien; wel hielden zij hun leven lang contact per brief. Von Humboldt schreef sowieso onwaarschijnlijk grote hoeveelheden brieven.

Von Humboldt wilde al heel lang de wereld verkennen. Toen zijn moeder overleden was, gaf dat hem meer ruimte. In 1799 kreeg hij van het Spaanse hof toestemming om samen met zijn vriend en mede-onderzoeker Bonpland naar Zuid-Amerika af te reizen. In vijf jaar tijd verzamelden zij een ongelooflijke hoeveelheid materiaal: niet alleen planten en dieren, maar vooral waarnemingen. Zij hadden veel meetapparatuur meegenomen en maten alles wat zij zagen: temperatuur, de stand van de sterren en hoogte van de bergen die zij onverschrokken beklommen. Zij trokken door woestijnen, voeren een eindeloze rivier af en Von Humboldt klom op elke werkende of niet werkende vulkaan.

Von Humboldt was uitermate taai en nergens bang voor. Bij het overtrekken van de Andes waren zijn schoenen al na een paar dagen aan flarden gescheurd vanwege de bamboescheuten. Blootsvoets ging hij verder. In het hooggebergte viel hij regelmatig bijna flauw door zuurstofgebrek, ook op richels waar je nauwelijks kon lopen. Later ontmoette hij de Amerikaanse president Jefferson, die hem erg bewonderde. Wulf beschrijft deze avonturen zeer beeldend. Het boek leest hier als een roman.

Von Humboldt nam nooit een blad voor de mond. Slavernij keurde hij onder alle omstandigheden af. Een boodschap die niet iedereen wilde horen. Zo legde hij ook een rechtstreeks verband tussen de erbarmelijke omstandigheden in de lokale landbouw en het kolonialisme. Aan het Spaanse hof waren ze hier niet blij mee. Hij was evenzeer modern in zijn opvattingen over de natuur. Eeuwenlang was het uitgangspunt in het Westerse denken hierover dat de natuur er voor de mens is. Von Humboldt wees juist op de vernietigende invloed van de mens op de natuur. Hij noemde zelfs klimaatverandering als gevolg hiervan.

Van politiek heeft hij zich nooit wat aangetrokken. Wetenschappers vormden voor hem een wereldwijde gemeenschap en kennis was er om te delen. Zijn broer nam het hem kwalijk dat hij tijdens de Napoleontische oorlogen in Parijs bleef en noemde hem zelfs een verrader. Parijs was echter het centrum van de wetenschap in die tijd. Hier werkte hij onvermoeibaar aan de uitgaven van zijn boeken, gebaseerd op de gegevens die hij tijdens zijn reis had verzameld.

Vanaf 1815 keerden de reactionaire regimes in Europa terug. Van Humboldt verliet Parijs en vestigde zich in Berlijn. Hij was toen een beroemdheid, een ster. Zijn colleges trokken altijd veel publiek. Hij zorgde ook voor internationale samenwerking en kreeg het bijvoorbeeld voor elkaar een reeks meetstations op te zetten om magnetisme en weeromstandigheden te meten. Hij brak een lans om de invloed van de mens op het klimaat internationaal en grootschalig te onderzoeken.

Op latere leeftijd zijn vooral de reis door Rusland en zijn magnun opus ‘Kosmos’ van belang. Hierin bracht hij veel van zijn ideeën samen in een overkoepelende visie op de natuur. In een tijd dat de wetenschappen steeds meer zelfstandige eilanden werden pleitte Von Humboldt juist voor een gedeelde kijk op de wereld en het leven. Het boek werd meteen in vele talen vertaald, later volgde er meer delen. Dit succes bracht Von Humboldt nog meer roem. Hij werd de grootste geleerde sinds de zondvloed genoemd.

‘Kosmos’ vormde de inspiratiebron voor onder anderen Charles Darwin. Hij had het boek altijd bij zich tijdens zijn reis met The Beagle. In de laatste hoofdstukken bespreekt Wulf de invloed van Von Humboldt op een aantal navolgers, waaronder Darwin. Zij gaat in op het leven en werk van Henry David Thoreau, George Perkins Marsh, Ernst Haeckel (de uitvinder van het woord ecologie) en John Muir. Het waren stuk voor stuk zeer belangrijke wetenschappers. Wat zij gemeen hadden is hun focus op natuurbescherming.

Dit is een van eyeopeners van dit geweldige boek: het vroege besef bij deze mensen, Von Humboldt voorop, dat de mens de natuur aan het vernietigen is. Verder zijn de moderne ideeën van hem heel bijzonder voor zijn tijd. Puur op basis van onderzoek, van feiten, liet hij de verderfelijkheid van eenvormige mega-landbouw en van het grootschalig kappen van bomen zien. Als wetenschapper zag hij geen onderscheid in menselijke rassen. De Europeanen waren niet superieur, hun culturen en talen waren niet hoger dan die van buiten-Europese volken.


Daarnaast is dit boek bijzonder levendig geschreven. Je waant je in de wereld van  twee eeuwen terug, een wereld die open lag voor ontdekkingen. Een wereld waarin voor grote wetenschappers veel te ontdekken viel, zonder dat je de beperking had van een discipline waarin je toevallig was opgeleid. Het lezen ervan maakt je nieuwsgierig en nostalgisch.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten