maandag 7 april 2014

Koos van Zomeren – Naar de natuur


Koos van Zomeren heeft tientallen jaren over natuur in Nederland geschreven.  Dit is zijn afscheidsboek. Hij maakt in 400 pagina’s de balans op van de natuur in Nederland en van zijn eigen leven.


De vorm van ‘Naar de natuur’ is een dagboek van anderhalf jaar. Vanaf juli 2009 beschrijft hij zijn wandelingen in de natuur en zijn ontmoetingen met natuurliefhebbers en -onderzoekers. De relatie met verschillende media komen aan bod. De resultaten hiervan in de NRC, de Groene en voor Vroege Vogels staan ook in dit natuurdagboek.

Van Zomeren kijkt veel terug op zijn leven en op de stand van de natuur rond 1980, de tijd dat zijn interesse in de natuur begon. Zijn definitie van natuur is “die elementen in onze omgeving die mensen niet onder controle hebben.” Uit zijn boek blijkt dat onderzoekers er juist alles aan doen om er wel controle op te krijgen: ringen, merken, turven, tellen, etc. Alles om er meer vanaf te weten. Tegenover ‘nieuwe natuur’, aangelegde gebieden ter compensatie van vernietiging van natuur elders, is Van Zomeren sceptisch.

Natuur in Nederland is kunstmatig. Waar grijp je wel in en waar niet? Natuur die aan zichzelf wordt overgelaten is er niet, maar het gaat om de mate van kunstmatigheid. Er bestaat geen onbedoelde natuur meer in Nederland. Van Zomeren is kritisch. De bemoeienis en het optimisme van  natuurorganisaties en noemt hij sovjetachtig denken in productiedoelen.

Soms vraagt hij zich af waar hij zich druk om maakt en wat er eigenlijk zo mooi is aan de natuur. “Is het leven op aarde méér dan wat kleffe vlekken op een keldermuur? “ Elders zegt hij weer dat de natuur meer schoonheid bezit dan zij nodig heeft. Wat weer een raadsel is.

Los van deze kritische noten gaat ‘Naar de natuur’ over de vele diersoorten in Nederland, vooral vogels.  Over kanoeten en hun verschillende vliegroutes. Genetisch zijn ze gelijk, maar de ene groep trekt naar het zuiden, de andere naar het oosten, fascinerend.

Ruigpootuilen zitten liever in dichte naaldbossen, maar ze zijn aangewezen op uitgehakte holen van  zwarte spechten. En deze zitten in loofbossen.  Zwaluwen geven de voorkeur aan plekken waar zij met de minste moeite een nest kunnen bouwen, maar kunstnesten willen zij niet.  De bonte vliegenvanger is afhankelijk van de rupsenpiek om hun jongen te voeren. Hoe eerder deze plaatsvindt, hoe eerder zij moeten vertrekken uit Afrika. Dit kunnen zij niet weten, dus draait hun ritme in de war. Eindeloos laat Van Zomeren zich inlichten over de vele gevolgen en aanpassingen, zeer boeiend.

Ook komt mijn omgeving nog voor in zijn boek, als het gaat over huismussen in Blijdorp. Een van de weinige gezonde kolonies huismussen in Rotterdam en omgeving.

De dierenrij die voorbij komt en waar Van Zomeren zich in verdiept en toegankelijk over vertelt is lang. Steeds vraagt hij zich af hoe een soort ervoor staat in vergelijking met bijvoorbeeld 30 jaar terug. De uitkomst is wisselend. Wanneer en hoe ingrijpen is een moeilijke kwestie.

Koos van Zomeren constateert een uitruil tussen boeren en natuurbeschermers. “En die boeren maar intensiveren. De melkveehouderij als laatste sector in de rij. Meedoen met de wereldmarkt – en het dan afleggen! Daar hebben we dan ons landschap voor opgeofferd.”

In de laatste pagina’s van zijn boek wordt Van Zomeren steeds droefgeestiger. Het afscheid nemen valt hem zwaar. Het doet denken aan de laatste bladzijden uit ‘Het bureau’. Niet toevallig noemt Van Zomeren zijn vriend Voskuil enkele malen in dit boek.

Het opmaken van de balans is gedaan. Er zijn geen winnaars of verliezers. Op sommige punten gaat het beter met de natuur dan 30 jaar geleden, op ander minder. Wel kun je nergens meer lopen zonder mensen tegen te komen die aan het hollen of fietsen zijn. Of die net als hij interesse hebben in de natuur.

Van Zomeren vindt het lastig niet meer te hoeven schrijven over de natuur. De stukjes in de krant en voor de radio zijn toch de stimulans om erop uit te trekken en zich ergens in te verdiepen. Maar zonder dat zal zijn interesse in natuur blijven bestaan.

Je kunt eindeloos citeren uit dit schitterende boek. Ik had tientallen passage aangekruist. Het wordt tijd dat er een groot Van Zomeren- citatenboek verschijnt. Nog één om af te sluiten: “Alles op aarde zoekt voedsel en is voedsel – zou het niet het eenvoudigst zijn als iedereen leert zichzelf op te eten?”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen