dinsdag 24 december 2013

Willem Otterspeer – De mislukkingskunstenaar

Het heeft even geduurd, maar eindelijk is daar de grote biografie van W.F. Hermans. Willem Otterspeer is in 800 pagina’s gekomen tot aan het jaar 1952. Dat belooft nog een tweede en waarschijnlijk een derde deel. Hoe meer Hermans hoe beter.



In de inleiding legt Otterspeer uit wat voor soort biografie hij geschreven heeft. Zijn uitgangspunt is een verband leggen tussen leven en werk. Hij doet dit het hele boek door inderdaad zeer uitvoerig en soms wat te makkelijk. Otterspeer verwijst in deze inleiding naar de eerste biografie, die van Hans van Straten. Ik vind hem heel mild in zijn oordeel over dit zwakke boek.
Otterspeer wijst verder op de veelheid aan materiaal. Hermans bewaarde alles, zijn archief is enorm. Hij had een begeerte naar alles. Dit is wat in tegenspraak met het volgende mooie citaat uit de inleiding van Otterspeer: “ Hermans was ertoe veroordeeld Hermans te zijn en dat kwam goed uit, want dat was zo’n beetje het enige waarvoor hij belangstelling had.” Otterspeer laat in deze biografie zien dat die belangstelling veel breder was.
Jeugd
Hij begint bij de jeugd van Hermans en besteedt gelukkig niet eindeloos veel papier aan alle voorouders. Hij staat uiteraard wel stil bij zijn ouders. De vader was onderwijzer en ontwikkelde zichzelf met allerlei cursussen. Hij was dwangneurotisch en erg onhandig. De moeder van Hermans was vooral bang. Over straat lopen was al een gevaarlijke onderneming voor haar. Hermans kon zich niet herinneren ooit een gezellig gezinsuitstapje te hebben gemaakt. Otterspeer laat zien dat de vader minder tiranniek was dan Hermans later voorstelde.
De kinderjaren van Hermans waren weinig opmerkelijk. Hij was een goede, maar geen geniale leerling. Een frappante gebeurtenis uit zijn jeugd is dat de kleine Hermans van zijn tante een zweep cadeau kreeg.(68/69) Het eerste wat hij ermee deed was zijn zusje proberen te slaan. Dit hoeft naar mijn idee niet te betekenen dat je je zusje haat. Zij was waarschijnlijk het enige onschuldige wezen in de buurt dat Hermans de baas kon. Merkwaardig is wel dat iemand een kind een zweep geeft. Hermans herinnerde zich dit cadeau vooral omdat de zweep even later verdwenen was en zijn ouders van niets wisten. Hij vond hem uiteindelijk in de vuilnisbak en was onder de indruk dat zijn ouders zo tegen hem konden liegen.
Interessant is dat Otterspeer aandacht besteedt aan Hermans’ manier van lopen Hij was erg houterig en liep zoals een schoolvriend het noemde, zonder bewegersvreugde. (304) Van jongs af aan was Hermans een kankeraar. Hij ergerde zich aan van alles. Vooral over de domheid van zijn klasgenoten en later medestudenten wond hij zich op. Hij had dus als kind weinig vriendjes.
Eerzuchtig was hij wel . Al vroeg voelde hij zich superieur over anderen. Hij was vaak erg enthousiast over uitvindingen en knutselde zelf dingen in elkaar, zolang zijn ouders hem dit niet beletten, vanwege het vermeende gevaar. Van elektriciteit moest de kleine Hermans ver blijven. In het verhaal ‘De elektriseermachine van Wimshurst’ is de Hermans als kind bijna volledige terug te lezen: een jongen die het beter weet, maar niet begrepen wordt door de leraar en ouders en gepest wordt door de andere kinderen. Otterspeer legt met bronvermelding het verband tussen bijvoorbeeld dit verhaal en Hermans’ eigen jeugd.
De biograaf schiet ook af en toe uit. Nadat hij heeft aangegeven dat een verhaal sterk autobiografisch is, wijst hij erop dat de werkelijkheid ietwat genuanceerder lag. (81) Logisch, want het blijft literatuur. Even later geeft hij zelfs aan dat een persoon uit een verhaal in werkelijk Fries was en geen Groninger “zoals Hermans in de novelle suggereert.” (81) Otterspeer gebruikt hier het door hem zelf ontdekte realisme in een literair werk om de schrijver op de vingers te tikken. Hij doet dit vaker. Ik vind dit niet juist.
De meest ingrijpende gebeurtenis uit Hermans’ jeugd was ongetwijfeld de dood van zijn zus Corry. Otterspeer besteedt terecht veel aandacht aan dit drama. Op 14 mei 1940 pleegde Corry samen met haar zwager waarmee zij een relatie had zelfmoord. De man was jaren ouder en getrouwd. Hij verkeerde in de dagen voorafgaand aan deze daad in ernstige paniek. Waarschijnlijk heeft hij haar met of zonder dwang meegesleurd in de wanhoopsdaad.
Otterspeer wijdt uit over hun relatie en citeert mooie lange stukken uit brieven. Het hoofdstuk Corry  eindigt met de dood van de twee. Het vreemde is dat in latere hoofstukken het wel gaat over de impact van deze gebeurtenis op het werk van Hermans, maar dat Otterspeer niet laat zien hoe bijvoorbeeld de ouders de dood van hun kind verwerkten. Het kan zijn dat hier geen bronnen voor zijn, maar ik zie ook wat anders. Het lijkt alsof Otterspeer in één hoofdstuk een onderwerp helemaal wil afronden. Vervolgens stapt hij in een volgend hoofdstuk over op het volgende onderwerp. De biografie krijgt hierdoor het karakter van een serie essays.
Overigens liet Hermans mensen later weten dat hun verhouding slecht was. Otterspeer beschrijft dit als “helderheid achteraf” (200). In werkelijkheid konden zij soms goed met elkaar overweg en deelden zij soms een hobby.
Oorlog
De oorlogsperiode is immens belangrijk geweest voor het werk van Hermans. Als je de biografie leest heeft hij het, afgezien van de dood van zijn zus, de vijf jaar niet heel zwaar gehad. Er lijken geen beslissende gebeurtenissen plaats te vinden.  Dit sluit aan bij Hermans gedachtengoed: “er gebeurt nooit iets en het is altijd oorlog.”(209)
De oorlog heeft vooral zijn studententijd verpest. Hij kon niet afstuderen en studentenfeestjes waren er ook niet zoveel. Wat Hermans wel deed was lezen als een bezetene: Engelse, Duitse, Franse literatuur, filosofie, enzovoorts. Hij leerde zelfs Spaans om deze literatuur goed te leren kennen. En hij schreef: verhalen, gedichten en de roman Conserve. Iets gepubliceerd krijgen was niet altijd makkelijk. Na een afwijzing liep hij zo teleurgesteld over de Dam dat hij zich wilde aanmelden voor de ss. De gedachte dat het manuscript van Conserve gevonden zou worden en zou worden uitgebrachte terwijl hij in de Russische sneeuw doodvroor, weerhield hem ervan:  “…en ik hield trouwens ook niet van sport en in de krant las je dagelijks dat de opleiding van de ss zo fijn was, omdat je daar veel aan sport moest doen.”(337)
Vrienden
Na de oorlog stond Hermans snel in het middelpunt van de literaire wereld. Hij had toegang tot tijdschriften, had literaire contacten en was lid van clubs als De Kring. Hij kende een enorme eerzucht, dat wil zeggen, de zucht zich te onderscheiden. En hij schreef veel.  In deze tijd had hij nog geen ruzies met allerlei mensen. Hermans kon overweg met Van Oorschot, Reve, J.B. Charles, Cola Debrot. Zelf Adriaan Morriën verdroeg hij, ondanks diens gemene streken. Deze verdraagzaamheid zal te maken hebben gehad met publicatiemogelijkheden die het hem bood.
Met de wonderlijke en drankzuchtige Paul Rodenko ging Hermans zeer vriendschappelijk om. En met Gerard Reve had hij een goede band. Zij smeedden zelfs een plan om samen een boek te schrijven.  ‘Zon over Lesbos’ zou het werk gaan heten: over een impotente man, met belangstelling voor het occulte, wiens vrouw een relatie krijgt met een kunstenares. Hermans schrijft Reve:  “De vrouwen gebruiken opium en lopen halfnaakt door het huis, onophoudelijk ruzie makend en luidop plannen tot moord smedend. De man, verlamd in bed, hoort het allemaal. Als hij eindelijk dood is, laten ze hem maar liggen tot hij stinkt, daarna pas roepen zij de dokter.” (630) Jammer dat het boek nooit geschreven is.
In deze tijd bezocht Hermans regelmatig Brussel. Hij logeerde er ook bij vrienden van zijn ouders. Uit diverse brieven en eigen aantekeningen komt hij naar voren van een echte losbol (462). Hij kon nachtenlang doordrinken, waarbij hij vrienden op sleeptouw nam die zich geheel aan zijn grillen moesten onderwerpen. Hoerenbezoek schuwde hij niet. En hij hield ervan om op zulke avonden bizarre gebeurtenissen in scene te zetten. In een bordeel eiste hij van de oude dikke hoerenmadam dat juist zij zich uitkleedde en een dansje zou maken. Zij deed het na enig aandringen ook nog. Hermans hield ervan om alles goed te observeren. Stapgenoten vertelden dat hij gebeurtenissen van een afstandje zat te bekijken en vaak zelf niet leek deel te hebben. Hij verzamelde materiaal voor zijn verhalen. Daarbij was hij weer wel zelf vaak de aanstichter van ontsporingen.
Literair werk
De publicatie van ‘De Tranen der Acacia’s vond plaats in 1949. Hermans lag er nachtenlang van wakker met zelfmoordneigingen. Het was een mooi boek geworden: “Er wordt veel in gescholden, vooral veel ingedronken en geneukt en een enkele keer gemoord, terwijl het occulte niet te kort wordt gedaan. Enfin, ik las vanmiddag juist in een artikel van Henry Miller dat pornografie en occulte boeken het meest verkocht worden, dus wat dat betreft maak ik een goed kans.” (471)Helaas voor Hermans schoot de verkoop niet echt op.
In 1951 had Herman zijn eerste grote rel. Naar aanleiding van een voorpublicatie van een hoofdstuk uit ‘Ik heb altijd gelijk’ werd hij flink aangevallen. Hij zou het Katholieke volksdeel beledigd hebben. Er volgde een proces, waarbij hij werd vrijgesproken. Daarna sloeg hij in discussies en in publicaties steeds meer wild om zich heen. Hij kon steeds moeilijker mensen om zich heen verdragen die hem bekritiseerden. Daarbij moeten we wel voor ogen houden dat zowel Gomperts als van Duinkerker hem voor fascist uitmaakten. Niet gek dat hij boos werd.
Otterspeer besteedt vele pagina’s aan de roman ‘Ik heb altijd gelijk’. Opvallend is dat ‘De Tranen der Acacia’s’ veel minder aandacht krijgt. Ook vertelt hij uitvoerig de inhoud van vier detectives die Hermans onder pseudoniem schreef. Ik vind hier de verhouding wat vreemd. Vaker zie je dit bij de onderwerpen die Otterspeer aansnijdt. Zeer uitgebreid bespreekt Otterspeer Hermans studententijd. Hij noemt alle leraren en staat erg lang stil bij alle vakken die hij volgde en wat voor cijfers hij behaalde. Waarschijnlijk waren hier de bronnen compleet.  Praktisch geen aandacht schenkt hij aan de tijd dat Hermans zijn studie jaren na de oorlog weer oppakte.
Eind jaren 40 ontmoette Hermans zijn latere vrouw Emmy. Om precies te zijn op 2 juli 1949 zagen zij elkaar voor het eerst. Zij was het tegendeel van hem. Als Surinaamse woonde zij nog niet zo lang in Nederland. Zij was jong en verlegen en stond buiten de literaire wereld van haar toekomstige man. Zij trouwden en trokken in bij de moeder van Emmy in Voorburg. Omdat Hermans nauwelijks rond kon komen van het schrijven en de geldnood toenam zocht hij ander werk. Hij wilde het liefst buiten Nederland aan de slag en solliciteerde zelfs naar de functie van directeur van een Parijs studentenhuis. (690) Hij werd gelukkig niet aangenomen.
De biografie
De biografie van Otterspeer stopt in 1952. Het verhaal is nog lang niet af. In deze bespreking heb ik mij moeten inhouden om niet eindeloos te citeren en verhalen op te dissen uit dit dikke boek. Het grote winstpunt van deze biografie is dat er veel en uitgebreid wordt geput uit brieven, dagboeken en eigen aantekeningen van Hermans. Otterspeer citeert hier ruim uit. Verder staat het boek bol van de anekdotes. Veel wist ik al, maar er staat ook veel nieuws in. Dit is de beste biografie die we hebben van Hermans, het is ook de enige serieuze biografie.
Kritisch ben ik op de samenhang die Otterspeer probeert aan te brengen. Ik lees sommige hoofdstukken als  op zichzelf staande artikelen. Per thema zet Otterspeer een mooi verhaal neer. Het grote verband, los van algemene typeringen van Hermans’ karakter, vind ik wat mager. Ook de verdeling in aandacht over de onderwerpen vind ik soms wat scheef.  Misschien had Otterspeer over bepaalde onderwerpen veel materiaal liggen en wilde hij hierin niet teveel schrappen.
Een tweede punt van kritiek is de overdreven aandacht voor het realisme in Hermans boeken. Otterspeer laat voortdurend zien dat bijna al Hermans’ werk een stevige basis heeft in zijn eigen leven. Hoewel hij er zelf voor waarschuwt zie ik het gevaar dat werk en leven door elkaar lopen en dat hij conclusies trekt over zijn leven op basis van citaten uit zijn werk.
Maar los van deze kritiekpunten is het een voortreffelijke biografie. Otterspeer streeft naar objectiviteit en volledigheid. Voor wat het laatste betreft voorzie ik wel een gevaar. Met een zelfde gedetailleerdheid zullen een tweede en een derde deel beide ook 800 pagina’s beslaan. Ik ben benieuwd en ook bevreesd of het Otterspeer zal lukken deze opgave te volbrengen. De tijd zal het leren.
In het laatste hoofdstuk geeft Otterspeer een karakterisering van Hermans. Hij beziet het leven als een  ziekte. (773). De schrijver probeert zich al schrijvend hierop aan te passen. Dit is een taak jegens jezelf en niet jegens de maatschappij. Een paar pagina’s verder noemt Otterspeer een tweede belangrijke drijfveer. “Rancune was de brandstof van zijn creativiteit.” (778)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen