dinsdag 14 april 2026

Marleen van den Berg – Joods Rotterdam

Er is veel geschreven over de Jodenvervolging in Nederland. En ieder jaar verschijnen er ook boeken over de oorlogsjaren in Rotterdam. Een omvattende studie over Joods Rotterdam vooraf, tijdens en in de jaren na de oorlog bestond er nog niet. Dit boek van Marleen van den Berg voorziet in deze lacune. Zij beschrijft de gebeurtenissen in Rotterdam, waar de op twee na grootste Joodse gemeenschap in Nederland woonde. Hier ging het iets anders dan in andere steden, wat alles te maken had met het bombardement. Zij is daarbij kritisch op bestaande denkbeelden en laat juist zien hoe divers de omstandigheden waren waarin mensen verkeerden, met name na de oorlog. 


Voor haar onderzoek maakt Van den Berg gebruik van een groot aantal bronnen en boeken en specifiek van persoonlijke documenten van drie Joodse families. Dit geeft haar studie een extra dimensie: het wordt persoonlijker, maar nergens verliest zij het algemene beeld uit het oog. De verhalen van deze drie families staan voor een breder verhaal, maar er bestonden vele verhalen naast elkaar. In het eerste hoofdstuk over Joods Rotterdam in de jaren 1880-1940 toont zij deze nuances door verschillende groeperingen binnen de gemeenschap te benoemen, zoals de geassimileerde Joden, de vluchtelingen en de streng religieuzen. Soms kun je beter niet van groeperingen spreken, omdat het gaat om individuen, waaronder niet godsdienstige Joden, die volgens de Nazi’s toch tot Jood of halfjood bestempeld werden. De auteur worstelt met dit dilemma, maar ontkomt er niet aan het racistische concept toch te moeten hanteren. Zij gaat in het boek steeds genuanceerd te werk en scheidt helder de antisemitische clichébeelden (rijke Joden zoals Pincoff en arme Joden die als parasieten werden voorgesteld) van de complexe werkelijkheid. Zij onderbouwt voortdurend wat zij schrijft met cijfermateriaal. 

 

Voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog woonden er 13.000 Joden in Rotterdam verspreid over de hele stad. Er waren een paar wijken in de stad waar relatief meer Joden woonden, maar het was niet te vergelijken met Amsterdam. De Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Rotterdam bezat een aantal synagogen en sjoels, waaronder de synagoge aan de Boompjes en die aan de Gedempte Botersloot, gesticht in 1891. Hoewel 92% zich tot de NIG rekende, leefde niet iedereen volgens de religieuze voorschriften. In zijn algemeenheid (gemiddeld) was de gemeenschap minder streng dan bijvoorbeeld in Amsterdam.

 

Het verschil tussen Rotterdam en andere steden zit natuurlijk in het bombardement aan het begin van de oorlog. Ook later is de stad hard getroffen door bombardementen. Op 14 mei werd een groot deel van de binnenstad weggeslagen en er was gebrek aan alles. Opvallend is de energie waarmee de wederopbouw werd aangepakt. Er werd onmiddellijk begonnen met puinruimen en de plannen voor de opbouw lagen al klaar. Men wilde vooral vooruit kijken en er werd geen onderscheid gemaakt tussen het leed van Joden - naast veel bedrijven en huizen waren er twee synagogen verloren gegaan - en andere inwoners van de stad. De binnenstad werd door de gemeente geheel onteigend. De latere onteigeningen van Joodse huizen en bedrijven zorgden na de oorlog af en toe voor langdurige juridische strijd en veel bureaucratische rompslomp. Voor de weggevaagde binnenstad bestond dit probleem niet, want de compensatieregelingen waren al geregeld voordat de vervolgingen begonnen. 

 

Van den Berg besteedt veel aandacht aan gemeentelijke regelingen, specifieke organisaties, onteigeningen en bureaucratische regels, zowel tijdens als na de oorlog. Het leed van de massamoord op de Joden lees je uiteraard erdoorheen. Juist de kale cijfers en de details maken de wreedheden soms nog erger: zij noemt bijvoorbeeld vaak een exact adres. De Nazi’s organiseerden de arrestaties en de transporten met een ongekende precisie. Joden moesten zich melden en mochten dan een beperkte hoeveelheid spullen meenemen; mensen kregen een schriftelijke instructie met welke trein zij konden reizen en voor sommige officiële papieren werd zelfs een klein bedrag gevraagd: je kon contact of per giro kon betalen. Al deze administratie was waarschijnlijk bedoeld om het als iets normaals te laten lijken. Veel Joodse en andere Rotterdammers zagen dit ook zo en gingen er lang in mee. Veel politieagenten volgden de bevelen op en de RET zorgde voor het vervoer van Joodse mensen.

 

Deze bureaucratie en zorgvuldige administratie zag je terug bij het systeem van woningroof, waar veel Rotterdamse notarissen gewoon aan meewerkten. Het inpikken van Joods bezit kun je niet altijd als antisemitisme benoemen; soms kwam het voort uit armoede, vaak was het gewoon hebzucht, maar het verlaagde wel de drempel om de anti-Joodse maatregelen te accepteren; de Duitse propaganda hielp hierbij. Na de oorlog zag je vergelijkbare problemen ontstaan bij de terugkeer van Joden en het illegale bezit van NSB’ers. Het was niet altijd makkelijk of praktisch haalbaar om huizen meteen aan de rechtmatige eigenaren terug te geven. Het probleem van de Joodse weeskinderen - bij de pleegouders laten of in een Joods gezin opnemen? - was nog schrijnender.

 

Sowieso heerste er na de oorlog dezelfde mentaliteit als na het bombardement: men moest vooral vooruit kijken. Met het leed van de Joodse Rotterdammers werd nauwelijks extra rekening gehouden. Bovendien was er het idee dat opvang vooral binnen de eigen gelederen moest gebeuren: vreemd, want er waren praktisch geen Joodse organisaties meer.  Bizar zijn ook de verhalen over achterstallige rekeningen die Joden kregen die terugkeerden naar Nederland en ternauwernood de kampen hadden overleefd. Maar Van den Berg nuanceert dit ook. In veel gevallen ging de afwikkeling en het teruggeven van geroofd bezit wel goed, maar het punt was dat er gebrek was aan alles. Gemeenten waren meer bezig om hun eigen financiën op orde te brengen dan aangedaan leed te compenseren. Het verschil in ontvangst na de oorlog en de daarbij ervaren antisemitische vooroordelen heeft ook te maken met waar en hoe iemand terugkeerde uit de kampen. Mensen die via Frankrijk en België kwamen, uit een situatie waar al maanden vrede was, was heel anders dan van mensen die uit het chaotische Duitsland kwamen.

 

Een belangrijke conclusie uit dit gedegen en goed geschreven boek is dat er niet één ervaring bestond van de ontvangst in Nederland bij terugkeer uit de kampen. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de omgang met weeskinderen en het terugkrijgen van panden en andere eigendommen. Deze studie laat goed zien hoe er een ander perspectief mogelijk is naast het Amsterdamse. De gebeurtenissen in Amsterdam, waar de grootste Joodse gemeenschap woonde, worden veelal gezien als de standaard. Andere steden worden hiertegen afgezet, terwijl het in Rotterdam duidelijk gaat om een ander verhaal, vanwege het bombardement maar ook bijvoorbeeld vanwege een andere rol van de Joodse raad en vergelijkbare organisaties. Tot slot de cijfers, waarbij de auteur uit is gegaan van de definities van de bezetter: ‘Van de 8.368 vol-Joden die in de zomer van 1942 in Rotterdam woonden waren er 6.790 gedeporteerd. … Slechts 488 Joodse Rotterdammers overleefden de concentratie- en vernietigingskampen. … 578 Joden overleefden de oorlog in onderduik, in Rotterdam of elders in het land.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten